Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8462

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-2964 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Minder dan 15% arbeidsongeschikt. Uit de rapporten van de zenuwarts en de revalidatiearts volgt niet dat de beperkingen het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2964 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 april 2006, 04/1265 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam bij het advocatenkantoor Delescen & Scheers te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008, waar appellante, zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Appellante was fulltime werkzaam als receptioniste en is op 19 juni 2000 uitgevallen met vermoeidheidsklachten en een verhoogde bloeddruk. In verband hiermee ontvangt zij vanaf 18 juni 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 13 mei 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 14 juli 2004 ingetrokken, omdat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden geacht. Bij besluit van 15 september 2004 zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 13 mei 2004 ongegrond verklaard.

Aan de intrekking van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar beperkingen haar eigen functie als receptioniste uit te oefenen, alsmede een aantal andere functies. Genoemde beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 4 maart 2004. Daarin is niet een zogenoemde arbeidsduurbeperking opgenomen.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van 15 september 2004. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapport ingezonden van een door de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard verrichte neuropsychiatrische expertise. In zijn rapport van 13 december 2004 heeft Busard onder meer aangegeven dat appellante naar zijn mening lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), wat conform de psychiatrische classificatie kan worden benoemd als een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Hij is onder meer van mening dat voor appellante aanmerkelijke bezwaren op medische gronden zijn te benoemen om volledig werk te hervatten. Appellante is zelf nauwelijks tot niet in staat te achten om regulier werk aan te gaan, maar kent ook in de duur ervan beperkingen.

Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd via rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen F.J.B.E. Schattenberg en P. Tjen. Het rapport van Busard vormt geen reden voor het Uwv om een ander standpunt in te nemen.

Gelet op de standpunten van partijen heeft de rechtbank aanleiding gezien betrokkene te laten onderzoeken door de revalidatiearts E.W.J.M. Peusens. Deze deskundige heeft in zijn rapport van 30 december 2005 aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met de belastbaarheid van appellante zoals die door het Uwv is aangenomen. Hij meent dat haar beperkingen ten aanzien van het aspect handelingstempo en met betrekking tot het aantal uren dat zij dagelijks kan werken te licht zijn ingeschat. Naar zijn mening is appellante gefixeerd in haar chronisch vermoeidheidssyndroom en zal zij de op die onderdelen aangenomen belasting niet aankunnen. Arbitrair is zijn mening dat appellante 5 uur in vertraagd tempo bepaalde activiteiten zou moeten kunnen verrichten.

Van de zijde van het Uwv is via een rapport van de bezwaarverzekeringsarts Tjen gemotiveerd aangegeven dat ook het rapport van voornoemde deskundige geen reden vormt voor een standpuntswijziging.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen, waarbij appellante is aangeduid als eiseres:

“De rechtbank overweegt dat, gelet op de beschikbare medische gegevens, niet wordt ontkend dat eiseres ernstige vermoeidheidsklachten heeft. Bij de stukken bevinden zich de rapportages van een huisarts, internisten en een wetenschappelijk onderzoeker. Voor zover in de curatieve sector de diagnose CVS is gesteld, is zulks geschied bij gebreke van enige objectief-medisch vaststelbare oorzaak welke kan dienen ter verklaring van de klachten van eiseres. Uit de rapportages is immers niet gebleken van een mogelijke lichamelijke dan wel psychogene oorzaak voor de klachten van eiseres. Eiseres heeft geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld. Derhalve moet worden vastgesteld dat de diagnosestelling uitsluitend berust op het gepresenteerde klachtenpatroon van eiseres. Dit vormt een ontoereikende basis voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid in de zin van de wet. Volgens vaste jurisprudentie dient het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip aldus te worden uitgelegd dat van arbeidsongeschiktheid slechts sprake is als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Aan de eigen beleving van eiseres kan en mag geen doorslaggevende betekenis worden gehecht. Ook het rapport van de deskundige Peusens biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel, nu uit diens rapport niet is op te maken dat eiseres op objectieve medische grond niet in staat is haar maatmanfunctie te verrichten.”

Namens appellante is in hoger beroep in hoofdzaak aangevoerd, dat haar beroep bij de aangevallen uitspraak ten onrechte ongegrond is verklaard, dat zij als gevolg van medisch objectiveerbare ziekten volledig beperkt is in haar lichamelijke en psychische belastbaarheid en derhalve volledig arbeidsongeschikt is. Appellante acht zich gesteund door de visie van de psychiater Busard en meent ook uit het rapport van de revalidatiearts Peusens de nodige steun te kunnen vinden voor haar zienswijze. Ter onderbouwing van dit standpunt is namens appellante een journaal d.d. 22 oktober 2006 van haar huisarts H.P. Jung overgelegd.

De Raad oordeelt als volgt.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen, tenzij sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan het aangewezen is van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank heeft aanleiding gezien het advies van de deskundige Peusens niet te volgen, omdat naar het oordeel van de rechtbank uit diens rapport niet volgt dat appellante op objectief medische gronden niet in staat is te achten de door haar voorheen uitgeoefende functie van receptioniste te verrichten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de overige beschikbare gegevens evenmin volgt dat de door appellante gepresenteerde klachten en beperkingen het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte en/of gebreken.

De Raad kan zich vinden in de overwegingen en in het oordeel van de rechtbank. Weliswaar menen zowel Busard als Peusens dat appellante meer arbeidsbeperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen, maar evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat ook uit hun rapporten niet volgt dat deze beperkingen het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebreken, hetgeen een voorwaarde vormt om gelet op het bepaalde in artikel 18 van de WAO op basis van die beperkingen arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Daarbij wijst de Raad er nog op dat Peusens in zijn rapport aangeeft dat appellante in verband met het ontbreken van een organische verklaring voor haar klachten in staat zou moeten zijn fulltime te werken, maar tevens dat hij meent dat appellante op basis van haar totale functioneren daartoe subjectief niet in staat is. Hieruit volgt naar het oordeel van de Raad, hetgeen ook door de bezwaarverzekeringsarts Tjen in reactie op het rapport van Peusens is gesteld, dat de deskundige zelf al aangeeft dat hij zich voor zijn oordeel laat leiden door de eigen beleving van appellante. Dergelijke subjectieve factoren kunnen echter geen rol spelen bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

De nadere onderbouwing van het standpunt van appellante in hoger beroep, alsmede de overgelegde informatie van haar huisarts, vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. Evenals de rechtbank concludeert de Raad dat appellante per de datum in geding, 14 juli 2004, in staat moet worden geacht om met de voor haar door de (bezwaar)verzekeringsartsen aangenomen beperkingen haar maatmanfunctie te verrichten. Het besluit van 15 september 2004 is daarom door de rechtbank terecht in stand gelaten en het hoger beroep van appellante daartegen moet worden verworpen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. Van Voorst als voorzitter, en J.F. Bandringa en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) M. Lochs

RJB