Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8455

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-4579 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezoldiging. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slechts slagen indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2008/116

Uitspraak

06/4579 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 juni 2006, 05/3638 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris).

Datum uitspraak: 27 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.F. Adolf, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. Populiers, werkzaam bij de Belastingdienst.

II. OVERWEGINGEN

1. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over de staatssecretaris wordt daaronder in voorkomende gevallen (mede) verstaan de Minister van Financiën. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als behandelfunctionaris in groepsfunctie F bij de Belastingdienst/FIOD/ECD, met als standplaats [standplaats]. Aan deze groepsfunctie is een salarislijn verbonden die de salarisschalen 9, 10 en 11 beslaat. Appellant werd bezoldigd volgens schaal 11. Aan appellant was boven het maximum van deze schaal een extra periodieke salarisverhoging verleend, waardoor zijn salaris overeenkomt met een salaris volgens schaal 12, trede 8.

1.2. Bij besluit van 9 juni 2004 is appellant met ingang van 1 april 2004 met toepassing van artikel 57, tweede lid, aanhef en onder a, van het Algemeen Rijksambtenaren-reglement overgeplaatst naar de regio Zuidwest met als standplaats [standplaats 2], om als behandelfunctionaris in groepsfunctie F werkzaamheden te gaan verrichten op het terrein van de fraudecoördinatie in Zeeland. Daarbij is bepaald dat hij zijn salaris dat overeenkomt met salarisschaal 12, trede 8, behoudt.

1.3. De staatssecretaris heeft bij besluit van 29 november 2004 het bezwaar van appellant gericht tegen de in het besluit van 9 juni 2004 vervatte weigering hem in te schalen in salarisschaal 12 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 29 november 2004 gegrond verklaard voor zover dit de grondslag van dit besluit betrof en heeft het besluit van 29 november 2004 op dit punt vernietigd. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 23 november 2006, 05/4983 de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd.

1.4. Bij besluit van 19 mei 2005 is aan appellant op grond van artikel 8, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) met ingang van 1 april 2005 een extra periodiek toegekend boven het voor appellant geldende maximumsalaris omdat appellant blijkens een op 6 april 2005 opgemaakte beoordeling bovenmatig functioneert. In dat besluit is tevens meegedeeld dat op het moment dat geen sprake meer is van bovenmatig functioneren deze periodiek ingetrokken kan worden en dat toekenning van de salarisverhoging boven het maximumsalaris niet betekent dat de hogere salarisschaal daadwerkelijk voor appellant gaat gelden.

1.5. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 mei 2005 is bij besluit van 26 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten om aan eiser per 1 april 2005 een extra periodiek toe te kennen, onder voorbehoud dat deze periodiek op grond van artikel 8, derde lid, van het BBRA kan worden ingetrokken indien geen sprake meer is van bovenmatig functioneren.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hem wel degelijk een structurele salarisverhoging is toegezegd door F. bij zijn overplaatsing per 1 april 2004, waarbij appellant zich beroept op een in zijn personeelsdossier aanwezige interne email.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Zoals de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen kan volgens vaste jurisprudentie van de Raad een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.2. Anders dan appellant ziet de Raad in het in hoger beroep in geding gebrachte emailbericht niet de uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging dat aan appellant structureel een extra periodiek zal worden toegekend bij goed functioneren. In dat bericht is slechts beschreven dat appellant, die een periodiek boven zijn maximum zit, nog één extra periodiek kan krijgen. Bovendien gaat het hier om een emailbericht van ene J., die niet is gericht aan appellant maar aan een onbekende andere persoon.

4.3. Appellant heeft zich evenals bij de rechtbank ook beroepen op het emailbericht van F. van 17 mei 2004. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot dit bericht en de door de rechtbank getrokken conclusie dat appellant aan dat bericht niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan ontlenen dat de hem toe te kennen extra periodiek als vast onderdeel van zijn salaris zou worden opgenomen. Indien zulks de bedoeling zou zijn geweest, zou het immers in het daarop volgende overplaatsingsbesluit zijn opgenomen en dat is nu juist niet geschied.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2008.

(get) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

BvW