Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-7083 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtvaardigt gepleegde plichtsverzuim uitvoering van het eerder opgelegde voorwaardelijke strafontslag? Geen plaats meer voor onevenredigheidstoetsing.

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 34, geldigheid: 2008-03-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/133

Uitspraak

06/7083 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 november 2006, 06/74 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 20 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2008. Appellant is verschenen met bijstand van mr. J. de Wit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W. Steuten, werkzaam bij CAPRA en door mr. W.M. Verhoeven, werkzaam bij de politieregio Limburg-Noord (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als brigadier van politie bij de politieregio. Bij besluit van 29 december 2003 is hem voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaren, omdat hij - kort gezegd - onvoldoende openheid had betracht over het feit dat hij een relatie had met mevrouw J.S., lid van een familie met een criminele reputatie, en omdat hij onvoldoende terughoudend was geweest in zijn contacten met J.S., haar familie en derden. In het besluit is als voorwaarde gesteld dat appellant bij zijn van leidinggevende melding dient te maken van contacten waarbij sprake zou kunnen zijn van belangenverstrengeling. Het besluit van 29 december 2003 is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 mei 2004, welk besluit in stand is gelaten bij de uitspraak van deze Raad van 24 augustus 2006, LJN AY6957 en TAR 2006, 174.

1.2. Blijkens een onderzoek naar aanleiding van een binnengekomen melding heeft appellant tijdens een telefoongesprek op 13 september 2004 getracht een medewerker van een verzekeringmaatschappij te bewegen een zogenoemde artikel 34-WAM-verklaring op te laten stellen, waaruit zou moeten blijken dat een voertuig op een bepaald tijdstip verzekerd was, terwijl dit voertuig toen feitelijk niet verzekerd was. Bij afgifte van een dergelijke verklaring zou een stiefzoon van appellant, zoon van eerdergenoemde mevrouw J.S. en eigenaar van het voertuig, aan verbalisering kunnen ontkomen. Bij aanvullend onderzoek is uit een tap van een telefoongesprek op 23 november 2004 tussen appellant en zijn stiefzoon geconcludeerd, dat appellant zijn stiefzoon instructies gaf over de door hem in een direct daarop volgend politieverhoor in deze zaak af te leggen verklaring.

1.3. Op grond van genoemde gedragingen is de korpsbeheerder bij besluit van 25 juli 2005 overgegaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 5 december 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten wat de werkelijke gang van zaken is geweest bij het telefoongesprek van 13 september 2004. Wat betreft het telefoongesprek van 23 november 2004 stelt appellant dat hij daarmee niet beoogd heeft aan zijn stiefzoon instructies te geven. Omdat hij zich van geen kwaad bewust was, was er ook geen aanleiding om zijn leidinggevende van dit gesprek in kennis te stellen.

De korpsbeheerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

4.1. Onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie (CRvB 23 november 2006, LJN AZ 3683) stelt de Raad voorop dat bij toetsing van een besluit als het onderhavige (slechts) beoordeeld dient te worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt en dat er naast die beoordeling geen plaats meer is voor een onevenredigheidstoetsing. Beoordeeld dient derhalve te worden of de korpsbeheerder de voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en of hij dusdoende in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

4.2. Wat betreft het aan appellant verweten plichtsverzuim zal de Raad, evenals de rechtbank, in het midden laten wat de werkelijke gang van zaken kan zijn geweest bij het telefoongesprek van 13 september 2004 en meer in het bijzonder, of geloof kan worden gehecht aan de door appellant gegeven verklaring, dat dit gesprek niet door hem zelf gevoerd is, maar door een ander die zich voor hem uitgaf.

De Raad is immers, met de rechtbank, van oordeel dat reeds de opstelling van appellant tijdens het telefoongesprek van 23 november 2004 voldoende grond geeft om de tenuitvoerlegging van het strafontslag gerechtvaardigd te achten. Daartoe heeft de Raad het volgende overwogen.

4.3. Uit de woordelijke weergave van het telefoongesprek van 23 november 2004 blijkt ook naar het oordeel van de Raad dat appellant zijn stiefzoon in het geheel niet heeft aangespoord de waarheid te zeggen (zoals appellant achteraf heeft verklaard), maar dat hij aan zijn stiefzoon met het oog op het komende politieverhoor een gedetailleerde verklaring heeft voorgezegd, waarmee kennelijk werd beoogd het door zijn stiefzoon gepleegde strafbaar feit te bagatelliseren. Uit de openingsvraag van zijn stiefzoon, luidende: “Maar wat moest ik ook alweer zeggen…”, blijkt voorts dat appellant en zijn stiefzoon reeds eerder over de af te leggen verklaring hadden overlegd.

De Raad kan geen geloof hechten aan de verklaring van appellant, dat hij in het telefoon-gesprek slechts het verhaal herhaald heeft dat hij eerder van zijn stiefzoon had gehoord, dat hij toentertijd geen reden had om aan dat verhaal te twijfelen, en dat hij pas achteraf heeft begrepen dat het verhaal op onderdelen onjuist was.

Maar zelfs indien dat laatste juist zou zijn, dan nog blijkt uit die gang van zaken, dat appellant wederom is vervallen in zijn eerdere fouten, door onvoldoende afstand te betrachten ten opzichte van een familielid van zijn echtgenote J.S. dat van een strafbaar feit werd verdacht. Daardoor heeft hij het risico genomen medeplichtig te worden aan een onjuiste weergave van het gebeurde tijdens het opsporingsonderzoek. Bovendien stelt de Raad vast, dat appellant in strijd met de gestelde voorwaarde heeft nagelaten aan zijn leidinggevende melding te maken van dit contact, waarbij onmiskenbaar sprake zou kunnen zijn van belangenverstrengeling.

4.4. Waar het plichtsverzuim in wezen een herhaling vormt van het plichtsverzuim waarvoor appellant eerder voorwaardelijk ontslag werd verleend, is de Raad van oordeel dat de korpsbeheerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot tenuitvoerlegging heeft kunnen besluiten.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

Q