Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-4564 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geen sprake van beëindiging dienstbetrekking, aangezien slechts het aantal arbeidsuren verminderd is en verder de uitgevoerde werkzaamheden onveranderd zijn gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 147

Uitspraak

06/4564 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 juli 2006, 05/2070 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Hoogendonk, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008.

Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft op 10 augustus 2004 een arbeidsovereenkomst gesloten met de [naam werkgever], op grond waarvan zij met ingang van 2 augustus 2004 tot uiterlijk 1 februari 2005 als groepsleidster bij deze stichting ging werken ter vervanging van een werkneemster, die achtereenvolgens wegens ziekte, zwangerschaps- en bevallingsverlof afwezig was. De arbeidsduur bedroeg volgens de arbeidsovereenkomst gemiddeld 25,5 uur per week. Op 10 februari 2005 is appellante met de werkgever overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst van 10 augustus 2004 in die zin werd gewijzigd dat zij ter vervanging van een andere zieke collega met ingang van 1 februari 2005 en uiterlijk tot 1 september 2005 gemiddeld 28 uur per week zou werken.

Appellante is op 30 maart 2005 uitgevallen voor haar werk als groepsleidster. Bij brief van 12 mei 2005 heeft de werkgever aan appellante meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst een tijdelijke wijziging onderging in die zin dat de arbeidsduur in verband met het gedeeltelijk herstel van vorenbedoelde collega met ingang van 1 mei 2005 gemiddeld 14 uur per week bedroeg. Tevens is toen meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst bij volledig herstel van deze collega, doch uiterlijk met ingang van 1 september 2005, zou eindigen. Appellante heeft zich tot het Uwv gewend met het verzoek haar met ingang van

1 mei 2005 een ziekengelduitkering toe te kennen. Zij heeft daarbij aangegeven dat haar dienstverband met ingang van deze datum gedeeltelijk, namelijk voor 14 uur, was beëindigd.

Bij besluit van 3 juni 2005 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 mei 2005 geen recht had op ziekengeld.

Bij besluit van 18 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het oordeel van het Uwv onderschreven dat appellante geen aanspraak op ziekengeld kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet (ZW) omdat onder “eindigen” van de dienstbetrekking als bedoeld in die bepaling alleen het volledig beëindigen van de dienstbetrekking dient te worden begrepen. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, het contractueel overeengekomen aantal arbeidsuren wordt verminderd, is naar het oordeel van de rechtbank van eindigen van de dienstbetrekking in de zin van voormelde bepaling geen sprake. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de door appellante uitgevoerde werkzaamheden steeds dezelfde zijn gebleven.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Uit de tekst van de op 10 februari 2005 gesloten arbeidsovereenkomst blijkt dat dit contract slechts een uitbreiding van de voorheen geldende arbeidsduur bevatte voor een bepaalde periode, terwijl voor het overige geen wijziging werd aangebracht in de arbeidsverhouding. De op dat moment afgesproken arbeidsduur van 28 uur werd door de werkgever bij brief van 12 mei 2005 met ingang van 1 mei 2005 teruggebracht naar 14 uur per week. Nu de arbeidsovereenkomst voor dit aantal uren per 1 mei 2005 werd gecontinueerd, kan niet worden gezegd dat de dienstbetrekking per 1 mei 2005 tot een einde is gekomen. Mitsdien is hier niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van voormelde bepaling van de ZW.

De stelling van appellante dat zij mogelijk wel aanspraak op ziekengeld zou hebben gehad, indien haar per 1 mei 2005 eerst een werkloosheidsuitkering zou zijn toegekend en zij zich daarna pas zou hebben ziek gemeld, doet aan het vorenstaande niet af. Het Uwv heeft in dit verband terecht opgemerkt dat niet kan worden voorbijgegaan aan de duidelijke tekst van de wet.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Lochs.

JL