Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-208 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Medisch en arbeidskundige onderbouwing voldoende? Urenbeperking? Afdoende onderbouwing eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/208 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 24 november 2005, 05/86 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Ruitenberg, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en naderhand nog nadere rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 juli 2006 en 19 februari 2007 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellant is met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, voorheen werkzaam geweest als kok, ontving een WW-uitkering toen hij zich in januari 2002 ziek meldde met hart-, rug- en knieklachten en psychische problematiek. Het Uwv heeft de reeds eerder aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 19 januari 2003 herzien en nader vastgesteld, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een zogenoemde eerstejaars herbeoordeling hebben een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van de bevindingen uit deze onderzoeken heeft het Uwv bij besluit van 24 maart 2004 de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 27 april 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant heeft tegen het besluit van 24 maart 2004 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat zij op grond van de beschikbare gegevens geen aanleiding ziet de bij het bestreden besluit ten aanzien van appellant aangenomen medische beperkingen tot het verrichten van arbeid voor onjuist te houden, waarbij zij er op heeft gewezen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij hun onderzoek informatie hebben betrokken van de behandelende artsen, te weten de behandelend huisarts, cardioloog en psycholoog, en dat de bezwaarverzekeringsarts een expertise heeft laten verrichten door de psychiater J.D.J. Tilanus. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant met inachtneming van de ten aanzien van hem aangenomen medische beperkingen in staat moet worden geacht de ten aanzien van hem geduide functies te vervullen en dat, uitgaande van de op basis van die functies berekende resterende verdiencapaciteit, een mate van arbeidsongeschiktheid resteert van 35 tot 45%. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit op genoegzame wijze is toegelicht en onderbouwd, waarbij zij met name heeft gewezen op de notities functiebelasting van 9 februari 2004 en de rapportage van 17 februari 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige.

Appellant heeft in hoger beroep wederom gewezen op zijn psychische en lichamelijke klachten, die tot gevolg hebben dat hij snel vermoeid is en derhalve niet in staat om gedurende hele dagen te werken. Ook heeft hij aangevoerd dat hij met zijn beperkingen niet in staat is tot het vervullen van de ten aanzien van hem geduide functies, waarbij hij met name de functie van productiemedewerker heeft genoemd. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat nog onvoldoende inzichtelijk is toegelicht en gemotiveerd dat de ten aanzien van hem geduide functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn te achten.

Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, wat de medische grondslag daarvan betreft, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en op een deugdelijke onderbouwing is gebaseerd. De Raad acht door het Uwv genoegzaam aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van appellant geen urenbeperking diende te worden aangenomen en hij verwijst in dit verband naar de rapportages van 10 februari 2005 en 21 maart 2006 van de bezwaarverzekeringsarts. Voorts wijst de Raad er op dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de door de behandelend artsen ingebrachte informatie in hun onderzoeken hebben betrokken en dat in de bezwaarfase de psychiater J.D.J. Tilanus, op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts, heeft gerapporteerd naar aanleiding van een door hem verricht onderzoek op 29 september 2004. De Raad ziet in hetgeen door appellant ter zake van de medische grondslag van het bestreden besluit is aangevoerd, geen grond om tot een andersluidend oordeel te komen dan hiervoor is aangegeven.

Wel is de Raad, met appellant, van oordeel dat het bestreden besluit niet is voorzien van een zodanig deugdelijke toelichting en onderbouwing dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De Raad ziet hierin aanleiding om, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren en dat besluit te vernietigen. Het Uwv heeft evenwel in de fase van het hoger beroep, met de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 juli 2006 en 19 februari 2007 de vereiste toelichting en onderbouwing verstrekt, zodat de Raad, gelet daarop en op de overigens voorhanden zijnde gegevens, van oordeel is dat de vraag of de ten aanzien van appellant geduide functies voor hem in medisch opzicht geschikt zijn te achten bevestigend dient te worden beantwoord. Om deze reden ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Nu de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, ziet de Raad geen grond voor toewijzing van het verzoek van appellant om het Uwv met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de schade die appellant lijdt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor kosten van rechtsbijstand in bezwaar, op € 322,- voor kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.W.A. Schimmel.

CVG