Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06/6536 WWB, 06/6538 WWB, 06/6540 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering i.v.m. vermogensoverschrijding. Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 34, geldigheid: 2008-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6536 WWB

06/6538 WWB

06/6540 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant 1]r en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 oktober 2006, 06/189, 06/190 en 06/191 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten is hoger beroep ingesteld door mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Verschenen zijn: appellanten, de tolk G. Ganpat en

mr. M.N. van Geenen, kantoorgenoot van mr. Verstraten. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden, in aanvulling op hun ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet.

Over bankrekeningen met aanzienlijke saldo’s en vergoeding van rente op naam van appellanten, heeft de sociale recherche Venlo een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn aanvullende gegevens bij de Belastingdienst en bankgegevens opgevraagd, is informatie bij de Kamer van Koophandel ingewonnen, zijn politiegegevens opgevraagd, is de woning van appellanten doorzocht, heeft een onderzoek plaatsgevonden bij de ABN AMRO-bank en de Rabobank te Venlo-Blerick naar de bankkluisjes op naam van appellant, zijn appellanten verhoord en zijn getuigen gehoord.

Op grond van de onderzoeksbevindingen, die zijn neergelegd in een rapport met bijlagen van 30 juni 2005, heeft het College bij besluit van 13 april 2005 de bijstand van appellanten met ingang van 1 maart 2005 ingetrokken. Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het College voorts de bijstand van appellanten over de periode van 1 juli 1995 tot 1 maart 2005 ingetrokken. Beide besluiten berusten op de grond dat appellanten, zonder daarvan mededeling aan het College te doen, gedurende deze periode over een vermogen beschikten dat hoger was dan de toepasselijke vermogensgrens. Tevens zijn bij het besluit van 5 juli 2005 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 maart 2005 tot een bedrag van € 94.003,29 van appellanten teruggevorderd.

Op 4 mei 2005 hebben appellanten opnieuw bijstand aangevraagd. Deze aanvraag heeft het College bij besluit van 9 juni 2005 afgewezen op de grond dat appellanten onvolledige inlichtingen hebben verstrekt waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 13 december 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 13 april 2005, 9 juni 2005 en 5 juli 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 13 december 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

De Raad stelt vast dat het College de intrekking met ingang van 1 maart 2005 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142 - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 maart 2005 tot en met 13 april 2005. Daarnaast ligt tevens de voorafgaande periode van 1 juli 1995 tot en met 28 februari 2005 ter beoordeling voor.

Met betrekking tot de aangetroffen bankrekeningen op naam van appellanten heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat naar vaste rechtspraak van de Raad het feit dat een bankrekening op naam staat van een bijstandontvanger de vooronderstelling rechtvaardigt dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten er niet in zijn geslaagd het tegendeel aan te tonen.

Ten aanzien van het aangetroffen contante geld in de woning van appellanten en het geld in de bankkluizen van appellant geldt het zelfde. De Raad heeft daarbij van belang geacht dat alleen appellant wetenschap had van en toegang had tot de plaatsen waar het geld in de woning werd aangetroffen, dat de bankkluizen op naam van appellant stonden en dat hij als enige over de sleutels van deze kluizen beschikte. De Raad kan aan de overgelegde verklaringen van kinderen en kleinkinderen van appellanten niet de betekenis toekennen die appellanten daaraan toegekend willen zien.

Gelet op het feit dat op één van de verzwegen bankrekeningen in april 1994 reeds een bedrag van f 12.000,-- (€ 5.445,37) stond, dat de zoon van appellant, [naam zoon], op 1 juli 1995 is gestart met zijn bloemengroothandel en dat hij vanaf het begin dagelijks de opbrengsten aan zijn vader gaf, is naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk dat appellanten reeds vanaf 1 juli 1995 beschikten over vermogen boven het destijds geldende vrij te laten bescheiden vermogen van € 8.349,56. Voorts gelet op onder meer het feit dat appellant op 23 augustus 1999 een bedrag van f 157.900,-- (€ 71.651,90) bij Private Kas Bank heeft gestort, dat het vermogen van appellanten verder is gestegen tot een bedrag van in ieder geval € 300.000,-- en de op 12 april 2005 aangetroffen bedragen aan contant geld in de woning van appellanten en in de bankkluisjes van appellant, is naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk geworden dat de vermogensoverschrijding nadien onafgebroken heeft voortgeduurd zonder dat appellanten dit aan het College hebben gemeld.

Het voorgaande betekent dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting over een zeer lange periode onmiskenbaar voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening van belang zijnde informatie over hun vermogenspositie niet aan het bijstandverlenend orgaan hebben gemeld. Dit betekent dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand per 1 maart 2005 alsmede over de daaraan voorafgaande periode van 1 juli 1995 tot en met 28 februari 2005 in te trekken.

Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken

Terugvordering

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2005 terug te vorderen voor zover deze tot een te hoog bedrag is verleend. Het College heeft hierbij op goede gronden in aanmerking genomen dat de kosten van voor 1 juli 1997 verleende bijstand ten tijde van het primair besluit wegens verjaring niet meer teruggevorderd konden worden.

Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

Dit geldt ook voor het beroep dat appellanten hebben gedaan op de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie. Naar vaste rechtspraak van de Raad is daarvoor in beginsel geen plaats indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie.

Aanvraag

In geschil is of appellanten bij hun nieuwe aanvraag om bijstand alle inlichtingen hebben verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dienaangaande en verwijst daar naar. In hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een andersluidend oordeel te komen.

Slotoverwegingen

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

AR