Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-4335 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-dagloon. Bij aanvang van verzekering reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt (eerder WAJONG-uitkering gehad), welke omstandigheid bij de vaststelling van het WAO- dagloon dient te worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4335 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 juni 2006, 05/2886 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 21 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J. Mouwen, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2007. Appellante is in persoon verschenen bijgestaan door haar ouders [naam vader] en [naam moeder]. Voor het Uwv is verschenen mr. M. Reitsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Appellante, geboren [in] 1977, was laatstelijk werkzaam in het fotografiebedrijf van haar moeder. Op 2 juli 2001 heeft zij haar werkzaamheden gestaakt in verband met psychische klachten. Haar ziekmelding heeft geleid tot het besluit van het Uwv van 24 december 2001, waarbij aan haar met ingang van 21 augustus 2000 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) is toegekend. Deze uitkering kwam tot 30 juli 2001 niet tot uitbetaling, omdat appellante inkomsten genoot uit arbeid in het bedrijf van haar moeder.

Aan het besluit van 24 december 2001 ligt onder meer ten grondslag een rapportage van een arbeidsdeskundige, gedateerd 6 december 2001. In deze rapportage wordt vermeld dat, hoewel appellante 36 uur per week werkte, op basis van gesprekken met haar en haar ouders een feitelijke werktijd van gemiddeld 20 uur per week nochtans als reëel moet worden beschouwd.

Bij besluit van 30 augustus 2002 heeft het Uwv appellante ingaande 1 juli 2002 een uitkering krachtens de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is het dagloon, waarnaar deze uitkering wordt berekend, vastgesteld op € 75,85. In verband met gedeeltelijke werkhervatting is deze uitkering bij besluit van 2 september 2002 ingaande 1 september 2002 herzien. Per die datum is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%.

Aan de besluiten van 30 augustus 2002 en 2 september 2002 ligt ten grondslag een arbeidskundige rapportage van 23 augustus 2002. In deze rapportage wordt onder verwijzing naar de rapportage van 6 december 2001 vermeld dat in verband met gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering voor de WAO uit wordt gegaan van een aantal feitelijk gewerkte uren van 20 uur per week. Aangezien appellante ingaande 1 september 2002 haar werk had hervat voor

12 uur per week is de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum bepaald op 40%. De rapportage vermeldt tevens dat appellante kennis heeft genomen van de beschouwingen en de conclusies van de arbeidsdeskundige.

Bij besluit van 20 mei 2005 heeft het Uwv zijn besluit van 30 augustus 2002 in die zin herzien dat het dagloon waarnaar de WAO-uitkering van appellante wordt berekend, per 1 juli 2002 is vastgesteld op € 40,80. In een begeleidend schrijven van

19 mei 2002 heeft het Uwv uiteengezet dat is gebleken dat het dagloon vermeld in het besluit van 30 augustus 2002 foutief (te hoog) is vastgesteld en dat dit zal worden gecorrigeerd per 1 juli 2005. De teveel betaalde uitkering over de periode van

1 juli 2002 tot 1 juli 2005 zal niet van appellante worden teruggevorderd.

Bij besluit van 27 juli 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 mei 2005 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 15 van de Algemene dagloonregelen WAO heeft het Uwv daarbij overwogen dat, nu appellante bij aanvang van haar verzekering voor de WAO gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, deze omstandigheid zijn weerslag dient te vinden in de dagloonvaststelling.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 27 juli 2005 ongegrond verklaard. In haar uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder, heeft zij het volgende overwogen:

“ De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder terecht de uitkering van eiseres met ingang van 1 juli 2005 heeft herzien in die zin dat het dagloon dient te worden gesteld op € 40,80. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Eiseres was bij aanvang van de verzekering reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong. Derhalve was het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de WAO op eiseres van toepassing en dient ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en sub a, van de Algemene dagloonregelen als het gewoonlijk uitgeoefende beroep te worden aangemerkt, het beroep het welk zij na de aanvang van de verzekering uitoefende. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in het geval van eiseres als het gewoonlijk uitgeoefende beroep moet worden aangemerkt de arbeid die eiseres verrichtte bij haar werkgever als algemeen medewerkster fotoatelier gedurende 20 uren per week (onder beschutte omstandigheden).

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de arbeidsdeskundige rapportage van 6 december 2001, waarin is aangegeven dat een feitelijke werktijd van gemiddeld 20 uren per week als reëel moet worden beschouwd. Uit deze rapportage blijkt dat uitgebreid is gesproken met eiseres en haar werkgever (moeder), waarbij duidelijk naar voren is gekomen dat eiseres al jarenlang moeizaam functioneerde, zeker toen de zaak werd uitgebreid en haar moeder minder aanwezig was. Eiseres nam vaak lange pauzes, bleef voor een boodschap langer weg dan nodig was en werd ook regelmatig door haar moeder naar huis gestuurd als zij moe was. Op 2 juli 2001 werden de opgekropte spanningen eiseres teveel en viel zij uit. De arbeidsdeskundige geeft expliciet aan dat hij in overleg met eiseres en haar ouders het aantal feitelijk gewerkte uren heeft vastgesteld. Eiseres heeft afschriften van alle arbeidskundige rapportages ontvangen.

De rechtbank is niet gebleken dat het standpunt van verweerder onjuist zou zijn. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere conclusie leiden.

De stelling van eiseres dat het een en ander nooit met haar ouders dan wel met haarzelf is besproken, acht de rechtbank niet geloofwaardig, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Dat geldt ook voor de door eiseres aangevoerde grief dat zij noch haar ouders de rapporten en besluiten van verweerder ten aanzien van dit punt hebben begrepen.

Tenslotte weegt de rechtbank mee dat eiseres niet eerder bezwaren heeft geuit tegen de vaststelling van het aantal gewerkte uren of tegen het arbeidsongeschiktheidspercentage.”

In hoger beroep heeft appelante herhaald haar eerder in de procedure betrokken stelling dat zij voor haar ziekmelding op 2 juli 2001 36 uur per week werkte en daarbij een volwaardige arbeidsprestatie leverde tegen een reëel loon. Voorts heeft appelante gesteld niet op de hoogte te zijn geweest van de hiervoor vermelde arbeidskundige - rapportages.

Wat van dit laatste ook moge zijn - de arbeidskundige rapportages wijzen hier overigens niet op - , doorslaggevend acht de Raad dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het arbeidsongeschiktheidspercentage. Dit betreft in het bijzonder het arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45 % dat is vastgesteld bij besluit van 2 september 2002, nadat appellante haar werk voor 12 uur had hervat. In dit besluit ligt besloten dat appellante bij aanvang van haar verzekering voor de WAO gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en dat zij slechts tot een reële arbeidsprestatie van 20 uur per week in staat was. Nu appellante niet is opgekomen tegen het besluit van

2 september 2002 dient tussen partijen als in rechte vaststaand te gelden de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. De Raad wijst er hierbij op dat, indien de stelling van appellante dat zij bij aanvang van de verzekering niet arbeidsongeschikt was, al juist zou zijn, bij het besluit van 2 september 2002 het arbeidsongeschiktheidpercentage zou moeten zijn vastgesteld van 65 tot 80%. Voorts moet worden vastgesteld dat deze stelling van appellante niet te rijmen valt met het gegeven dat aan haar een Wajong-uitkering is toegekend. Ook daartegen heeft zij zich niet gekeerd.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Badermann.

AR