Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-6469 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH9508
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leefvorm. Gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 3, geldigheid: 2008-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6469 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 november 2006, 06/915 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft bij wijze van verweer meegedeeld dat het zich kan vinden in de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S.H. Groothuis, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) ontving vanaf 22 februari 1994 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant en [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voeren, heeft de sociale recherche Noord-Holland Noord een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van [betrokkene]. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, heeft op 21 juni 2005 een doorzoeking van de woning plaatsgevonden waarbij diverse goederen en administratieve bescheiden in beslag zijn genomen, zijn [betrokkene] en appellant verhoord, en hebben buurtbewoners in de omgeving van het adres van [betrokkene] verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 5 oktober 2005.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 7 juli 2005 de bijstand van [betrokkene] met ingang van 1 december 1997 in te trekken op de grond dat [betrokkene] vanaf die datum zonder daarvan aan het College melding te maken, met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Bij besluit op bezwaar van 25 oktober 2005 is (uiteindelijk) het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2005 ongegrond verklaard, in die zin dat de bijstand wordt ingetrokken per 21 oktober 2000. Bij besluit op bezwaar van 7 maart 2006 is gehandhaafd het besluit van 4 januari 2006 waarbij de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 21 oktober 2000 tot en met 31 mei 2005 tot een bedrag van € 45.134,97 van [betrokkene] zijn teruggevorderd.

Bij besluit van 4 januari 2006 heeft het College met toepassing van artikel 59 van de WWB de over de periode van 21 oktober 2000 tot en met 31 mei 2005 ten behoeve van [betrokkene] gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 45.134,97 mede van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 7 maart 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 januari 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

7 maart 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In het onderhavige geding dient de Raad te beoordelen of de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Daarin is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB heeft gevoerd.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding.

Niet in geschil is dat appellant en [betrokkene] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van [betrokkene] aan [adres] te [woonplaats].

De Raad is voorts van oordeel dat de gedingstukken voldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat appellant en [betrokkene] van 21 oktober 2000 tot en met 31 mei 2005 blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. De Raad hecht hierbij in het bijzonder betekenis aan de bevindingen van het onderzoek waaruit blijkt dat appellant gebruik maakt van de gehele woning van [betrokkene], dat hij klusjes in het huis en de tuin doet alsmede de zware boodschappen. [betrokkene] maakt met enige hulp van appellant de woning schoon. Voorts zijn appellant en [betrokkene] vanaf 21 oktober 2000 meerdere keren gezamenlijk op vakantie geweest, waarbij niet objectiveerbaar is gebleken van een duidelijke scheiding in de betaling van de kosten. Daarvan is evenmin gebleken bij de aanschaf van duurzame gebruiksartikelen voor de woning van [betrokkene]. Verder heeft appellant vastgelegd dat zijn bezittingen bij overlijden naar [betrokkene] gaan en zijn appellant en [betrokkene] over en weer op elkaars bankrekeningen gemachtigd. Dat van die machtigingen nooit gebruik is gemaakt, doet daaraan niet af.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kamerhuurrelatie. De Raad heeft daarbij van belang geacht dat de door appellant betaalde huur nooit is verhoogd, zodat deze niet meer als een commerciële vergoeding voor onderdak kan worden beschouwd. In aanmerking genomen de wederzijds verleende zorg is de Raad voorts van oordeel dat in de situatie van appellant en [betrokkene] de grens wordt overschreden van hetgeen in een commerciële relatie gebruikelijk is.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellant en [betrokkene] van 21 oktober 2000 tot en met 31 mei 2005 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Nu gelet op de gedingstukken tevens vaststaat dat verlening van bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden - niettemin - achterwege is gebleven omdat [betrokkene] de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat over genoemde periode is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de over die periode gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.

Het College hanteert de beleidsregel dat in de gevallen, bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de WWB, in beginsel wordt teruggevorderd, en dat van terugvordering kan worden afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 50,--, tenzij het een voorschot betreft, het bijstand betreft die is betaald na zes maanden na de ontvangst van een signaal waaruit afgeleid had moeten worden dat ten onrechte of teveel wordt betaald, of indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. Naar het oordeel van de Raad gaat deze beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

De Raad ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het ten aanzien van appellant genomen besluit tot terugvordering van de kosten van de aan [betrokkene] verleende bijstand niet in overeenstemming is met de door het College gehanteerde beleidsregel. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad evenmin een grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van deze beleidsregel (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

AR