Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-347 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering. Medische en arbeidskundige grondslag juist? Eerst in hoger beroep afdoende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/347 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 december 2005, 05/420 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 06/409 WAZ, plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellante is -met voorafgaand bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London. Na het onderzoek ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in de zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 17 juni 2003 heeft het Uwv appellante met ingang van 7 april 2003 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) geweigerd.

Vervolgens is het bezwaar van appellante tegen dat besluit bij besluit van 28 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de klachten van appellante, gelet op de informatie uit de behandelend sector, correct heeft weergegeven en gewogen. Appellante is volgens de rechtbank in staat de geduide functies te vervullen. Niet gebleken is dat bij het vervullen van de functies de mogelijkheden van appellante worden overschat.

In hoger beroep heeft appellante grotendeels haar tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald. Zij is van oordeel dat bij het bestreden besluit haar belastbaarheid is overschat en dat de geduide functies niet geschikt zijn. Voorts heeft ze aangevoerd dat het bestreden besluit wat de arbeidskundige grondslag betreft, onvoldoende is toegelicht. Appellante heeft ook aangevoerd dat het vereiste opleidingsniveau voor de functie verkoop telefonist, welke functie behoort tot sbc-code 317012 (verkoper groothandel), op 5 is gesteld terwijl haar opleidingsniveau door het Uwv op 4 is gesteld. Deze functie had om die reden niet aan haar geduid mogen worden. Tevens heeft appellante verzocht om een deskundige te benoemen. Voorts heeft appellante verzocht om schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het oordeel van de rechtbank in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij geen aanknopingspunten heeft om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. De door appellante ingebrachte verzekeringsgeneeskundige verklaring brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Hij stelt zich achter het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv, waar deze de juistheid van de conclusies uit die verklaring gemotiveerd betwist.

Het is voor de Raad, gelet in het bijzonder op het verhandelde ter zitting, in voldoende mate aannemelijk geworden dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige bij het selecteren van voor appellante geschikt te achten functies alle relevante beperkingen van appellante, zoals deze door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn vastgesteld, in ogenschouw heeft genomen.

Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd maar overigens niet is onderbouwd met nadere gegevens, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek.

De Raad is van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de functies die uiteindelijk aan de schattingsgrondslag resteren, in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. Voor zover getwijfeld wordt of de functie verkoop telefonist ten aanzien van appellante kon worden geselecteerd, wil de Raad het volgende opmerken. Nu voor de deelfunctie verkoop telefonist van de functie verkoper groothandel met sbc-code 317012 een te hoog opleidingsniveau is vereist, dient deze deelfunctie te vervallen. Het opleidingsniveau van appellante is lager dan het voor deze functie vereiste opleidingsniveau. Dit betekent dat er in de functie van verkoper groothandel slechts tien arbeidsplaatsen resteren en dat dit te weinig is om de schatting op te baseren. Nu er tevens reservefuncties geduid zijn, blijven er bij het vervallen van deze functie genoeg functies over om de schatting op te baseren, waarbij ook het zogenoemde mediane loon van de geduide functies hetzelfde blijft.

De Raad stelt evenwel vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot de toepassing van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

Voor vergoeding van schade als door appellante verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Awb in het onderhavige geval geen plaats, nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, welke kosten worden begroot op

€ 644,- voor de kosten van rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep. Het totaal van de kostenveroordeling bedraagt derhalve € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.W.A. Schimmel

RJB