Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8313

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-409 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WAZ- uitkering, aangezien niet is voldaan aan één van de gestelde voorwaarden, nl. dat er sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekte-oorzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/409 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 december 2005, 05/421 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 06/347 WAZ, plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellante is -met voorafgaand bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London. Na het onderzoek ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in de zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 28 november 2003 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aangezien zij niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een WAZ-uitkering.

Vervolgens is het bezwaar van appellante tegen dat besluit bij besluit van 17 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat terecht is vastgesteld bij het bestreden besluit dat aan een van de gestelde voorwaarden uit artikel 20 van de WAZ, dat er sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekte-oorzaak, niet is voldaan.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat er wel degelijk sprake is geweest van een toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekte-oorzaak. Voor de onderbouwing van deze stelling verwijst appellante naar de in beroep overgelegde informatie van de revalidatiearts J.W.E. Verlouw van 1 juni 2005. Tevens heeft appellante verzocht om schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven.

De Raad kan zich vinden in het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. De brief van de behandelend revalidatiearts J.W.E. Verlouw van 1 juni 2005 biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat appellante op de datum in geding (17 juli 2003) ten gevolge van haar klachten meer beperkingen ondervond dan voorheen werd aangenomen, zulks te meer omdat de revalidatiearts Verlouw appellante in juni 2004 voor het eerst heeft gezien en zich (in feite) niet uitlaat over de datum in geding. Met recht heeft het Uwv derhalve aangenomen dat op de datum in geding geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand op het tijdstip dat in geding is.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellante verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) H. Bolt

(get.) M.W.A. Schimmel