Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8312

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-1323 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Arbeidskundige grondslag voldoende? Geen sprake van situatie dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid aanwezig zijn te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1323 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 januari 2006, 05/1672 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is vervolgens nog een aanvulling gegeven op de gronden van het hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellant is met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was logistiek medewerker bij [naam werkgever] toen hij op 18 juni 2002 uitviel voor zijn werkzaamheden wegens gewrichtsklachten. Nadat appellant de zogeheten wachttijd had doorgemaakt, heeft het Uwv hem met ingang van

29 juni 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een zogenoemde eerstejaars herbeoordeling hebben een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van de bevindingen, verkregen uit deze onderzoeken, heeft het Uwv bij besluit van 4 oktober 2004 de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 1 december 2004 ingetrokken op de grond dat er een verlies aan verdiencapaciteit resteert van minder dan 15%. Appellant heeft tegen het besluit van 4 oktober 2004 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Tevens heeft zij beslissingen gegeven over de vergoeding aan appellant van het door hem betaalde griffierecht en van de door hem gemaakte proceskosten, en heeft zij het verzoek van appellant om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de door hem geleden schade afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij op grond van de beschikbare gegevens van oordeel is dat bij het bestreden besluit appellants medische beperkingen tot het verrichten van arbeid op zorgvuldige wijze zijn beoordeeld en niet zijn onderschat. Zij heeft zich daarbij niet gesteld achter de opvatting van appellant dat ten aanzien van hem ten onrechte een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) is opgesteld, omdat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden zou hebben. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de door appellant ingebrachte gegevens van de behandelend artsen geen grond om de ten aanzien van hem aangenomen beperkingen, zoals neergelegd in de FML, voor onjuist te houden. De rechtbank heeft evenwel het beroep gegrond geacht omdat zij van oordeel was dat het bestreden besluit niet was voorzien van een zodanige deugdelijke toelichting en motivering dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in de arbeidskundige grondslag van dat besluit. Omdat tijdens de behandeling van het beroep de vereiste toelichting en motivering alsnog was verstrekt, heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellant heeft in hoger beroep het standpunt herhaald dat ten aanzien van hem ten onrechte een FML is opgesteld omdat hij wegens zijn gewrichtsklachten dermate wisselende mogelijkheden tot functioneren heeft dat moet worden aangenomen dat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid meer heeft. Hij heeft er daarbij op gewezen dat zijn medische situatie steeds hetzelfde is gebleven en dat het Uwv in het verleden wel heeft aangenomen dat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden had. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij niet aan de opleidingseisen voldoet die zijn gesteld in enkele van de ten aanzien van hem geduide functies, nu hij niet in het bezit is van een VMBO diploma en de door hem wel behaalde diploma’s niet daarmee gelijk zijn te stellen. Tot slot heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit nog steeds een toereikende toelichting en motivering ontbeert.

Het Uwv heeft de stellingen van appellant bestreden en daarvoor onder meer verwezen naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 18 april 2005, waarin gemotiveerd is aangegeven dat zich ten aanzien van appellant op de in geding zijnde datum niet de situatie voordoet dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid aanwezig zijn te achten, alsmede naar een rapportage van 30 november 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige, waarin is betoogd dat en waarom appellant wel aan de opleidingseisen voldoet die worden gesteld bij de ten aanzien van appellant geduide functies. Tot slot heeft het Uwv als zijn opvatting te kennen gegeven dat met de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 april 2005 en 30 november 2005 een toereikende onderbouwing aan de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is gegeven.

Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de medische grondslag daarvan, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en op een deugdelijke onderbouwing is gebaseerd. De verzekeringsarts, die appellant op 16 augustus 2004 heeft onderzocht, constateerde dat er op dat moment geen actieve verschijnselen van een reumatische aandoening bestonden, hetgeen in overeenstemming was met de opstelling van appellant die de medicatie wilde afbouwen. Gelet hierop, alsmede op het dagverhaal van appellant, heeft de verzekeringsarts aangenomen dat er een redelijk stabiel beeld aanwezig was, zodat een FML kon worden opgesteld. De bezwaarverzekeringsarts, die appellant op de hoorzitting heeft gesproken en aanvullende informatie heeft opgevraagd bij appellants behandelend reumatoloog, heeft zich achter de opvattingen van de verzekeringsarts gesteld en aangegeven dat op goede gronden is overgegaan tot het opstellen van een FML. De Raad ziet in hetgeen door appellant ter zake van de medische grondslag van het bestreden besluit is aangevoerd, geen grond om tot een andersluidend oordeel te komen dan hierboven is aangegeven. Voorts kan de Raad zich niet stellen achter het door appellant betrokken standpunt dat hij niet voldoet aan de opleidingseisen van enkele van de ten aanzien van hem geduide functies, waartoe de Raad verwijst naar hetgeen daaromtrent in de voorhanden rapportages van de (bezwaar)arbeidskundigen is overwogen. Ook de stelling van appellant dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit nog steeds onvoldoende is toegelicht en gemotiveerd, kan naar het oordeel van de Raad niet slagen en hij wijst daarvoor naar de door het Uwv in verweer genoemde arbeidskundige rapportages.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.W.A. Schimmel.

JL