Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
06-1419 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Eerst in hoger beroep afdoende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1419 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 januari 2006, 05/2848 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Voets heeft nog een aanvulling gegeven op haar hoger beroepschrift. Hierop heeft het Uwv gereageerd door middel van een aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een rapportage van 14 september 2007 van bezwaararbeidsdeskundige P. van Kesteren.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Voets, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van den Berkt.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 december 2004 ingetrokken. Bij besluit van 23 juni 2005, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van

1 oktober 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank kon instemmen met het standpunt van het Uwv dat appellante op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid. Uit het arbeidskundig onderzoek blijkt voorts, naar de rechtbank heeft overwogen, dat appellante met de functies waarop de schatting is gebaseerd een zodanig inkomen kan verdienen dat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

In hoger beroep heeft appellante grotendeels haar tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het oordeel van de rechtbank in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij geen aanknopingspunten heeft om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. Appellante heeft haar standpunt dat de verzekeringsartsen haar belastbaarheid hebben overschat niet met medische stukken onderbouwd.

Het is voor de Raad, gelet in het bijzonder op de in rubriek I vermelde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P. van Kesteren van 14 september 2007 en het verhandelde ter zitting, in voldoende mate aannemelijk geworden dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige bij het selecteren van voor appellante geschikt te achten functies alle relevante beperkingen van appellante, zoals deze door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn vastgesteld, in ogenschouw heeft genomen.

De Raad is van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de drie functies die uiteindelijk aan de schattingsgrondslag resteren, telefonist/receptionist, assistent consultatiebureau en wikkelaar, in medisch opzicht kunnen worden geacht binnen het bereik van appellante te liggen. In eerder bedoelde arbeidskundige rapportages in hun samenhang bezien, is naar het oordeel van de Raad de geschiktheid van de functies van alle relevante aspecten voldoende gemotiveerd.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat pas in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor vereist geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot de toepassing van het Claim Beoordelings-en Borgingssysteem - verwezen zij naar zijn uitspraken van 9 november 2004,

LJN: AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722 - moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, op€ 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 18,84 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.950,84.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.950,84, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.W.A. Schimmel.

RJB