Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
07-3915 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toepassing van het bijzondere rechtsmiddel van herziening uitspraak CRvB. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3915 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:

[Verzoekster] (hierna: verzoekster),

om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 mei 2007, 04/6235,

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 mei 2007, 04/6235.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge voornoemd. Het Uwv is - met bericht vooraf - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij de uitspraak waarvan herziening is verzocht, heeft de Raad - oordelend op het hoger beroep van verzoekster - de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2004, 03/2346, bevestigd. In het geding dat tot laatstbedoelde uitspraak heeft geleid ging het om het besluit van het Uwv van 31 juli 2003, waarbij het bezwaar tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 12 december 2001 op 25 tot 35%, ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft bij haar uitspraak het beroep van verzoekster tegen het besluit van 31 juli 2003 ongegrond verklaard.

De Raad heeft zich in de uitspraak waarvan herziening is verzocht (hierna: de betrokken uitspraak) achter de overwegingen en het oordeel van de rechtbank gesteld. Hij heeft daartoe overwogen in het onderhavige geding geen grond te zien om ten aanzien van de toetsing van medische rapportages en de daarmee samenhangende vraagstukken van bewijsrecht, waaronder de waarde van de rapporten van de directrice van het instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans, tot een ander oordeel te komen dan neergelegd in zijn eerdere, bij de gemachtigde van verzoekster bekende uitspraken. Voorts heeft de Raad met de rechtbank geoordeeld dat er geen grond is voor twijfel aan de door het Uwv ten aanzien van verzoekster in aanmerking genomen medische beperkingen en niet is gebleken dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet zorgvuldig, niet volledig of niet juist is verricht. Verder heeft de Raad overwogen dat geen medische informatie is ingebracht waaruit moet worden afgeleid dat verzoekster anders of meer beperkt zou moeten worden geacht dan door het Uwv is aangenomen. Tot slot heeft de Raad geoordeeld dat ook de arbeidskundige grondslag van het besluit in rechte stand kan houden.

De gemachtigde van verzoekster acht herziening van de betrokken uitspraak aangewezen omdat deze onvoldoende is gemotiveerd, onvoldoende rekening houdt met het wettelijk kader en in strijd is met de jurisprudentie van de Raad. De gemachtigde heeft een groot aantal argumenten aangevoerd omtrent de door de Raad gevormde jurisprudentie ter zake van de waarde van de rapporten uitgebracht door het Instituut Psychosofia, de waarde die naar haar mening aan deze rapporten behoort te worden toegekend en de wijze waarop naar haar oordeel door het Uwv en de bestuursrechter met deze rapporten dient te worden omgegaan. De gemachtigde heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat, waar zij in hoger beroep veel feiten en omstandigheden heeft aangevoerd en in de betrokken uitspraak niet op (veel van) die feiten en omstandigheden uitdrukkelijk is ingegaan, het niet anders kan zijn dan dat de Raad een groot aantal feiten en omstandigheden buiten zijn onderzoek heeft gelaten, zodat die feiten in het kader van het aanhangige verzoek als nieuwe feiten en omstandigheden dienen te worden aangemerkt. Als deze veronderstelling niet zou kloppen, zo heeft de gemachtigde als haar opvatting te kennen gegeven, betekent dit dat de betrokken uitspraak niet genoegzaam is gemotiveerd.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN AN7982, kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb juncto artikel 21 van de Beroepswet, herziening aangewezen is. Een door de gemachtigde van verzoekster gewenste hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de betrokken uitspraak, waaronder de vraag of ingebrachte feiten en omstandigheden op juiste wijze door de Raad in zijn oordeelsvorming zijn betrokken, kan in dit kader niet worden gevoerd.

Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu door de gemachtigde van verzoekster geen feit of omstandigheid als bovenomschreven naar voren is gebracht. De door de gemachtigde genoemde feiten en omstandigheden heeft zij eerder in de procedure in geding gebracht en kunnen reeds daarom geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Een klacht over de motivering van de betrokken uitspraak kan evenmin grond zijn voor herziening.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.W.A. Schimmel.

JL