Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
06/7165 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Betaling griffierecht op een rekening van justitie, niet van de CRvB. Doorzendplicht? Verzet ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Beroepswet
Beroepswet 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/188
JB 2008/118
AB 2008, 245
NJB 2008, 990
BA 2008/117

Uitspraak

06/7165 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 november 2006, 06/559 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna Uwv)

Datum uitspraak: 21 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 20 april 2007 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen voornoemde uitspraak heeft mr. R.H.M.Ch. Libotte, advocaat te Maastricht, als gemachtigde van appellante verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2008. Appellante is verschenen bij mr. F.Y. Gans, kantoorgenoot van mr. Libotte, en het Uwv heeft zich

- met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 20 april 2007 berust hierop, dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.

In het verzetschrift en ter zitting is namens appellante aangevoerd dat het griffierecht op 28 januari 2007 middels een elektronische overboeking abusievelijk is overgeschreven naar het rekeningnummer van de rechtbank Maastricht zodat het griffierecht in ieder geval binnen de door de Raad gestelde termijn aan justitie is betaald. De gemachtigde van appellante heeft daarbij aangegeven dat het op de weg van de rechtbank Maastricht had gelegen om het bedrag - analoog aan de doorzendplicht - door te storten c.q. over te maken naar het rekeningnummer van de Raad aangezien het bij de rechtbank bekend moet zijn geweest dat appellante hoger beroep had ingesteld bij de Raad. De gemachtigde van appellante heeft tenslotte nog gewezen op de bijzondere en zwaarwegende belangen die appellante heeft bij een uitspraak ten gronde op het ingestelde hoger beroep en dat de kennelijke misslag niet in redelijkheid en billijkheid voor rekening en risico van appellante kan worden gebracht.

De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellante geen gronden heeft aangevoerd die tot gegrondverklaring van het verzet dienen te leiden. De Raad overweegt daartoe als volgt.

Door gemachtigde van appellante wordt niet betwist en voor de Raad staat vast dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn op de rekening van de Raad is bijgeschreven dan wel ter griffie is gestort. Dat het griffierecht binnen de gestelde termijn in ieder geval op een rekening van justitie is bijgeschreven is geen omstandigheid op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Ingevolge artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet dient het verschuldigde griffierecht binnen de gestelde termijn te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie te zijn gestort, hetgeen eveneens duidelijk staat vermeld in de brieven van de Raad van 28 december 2006 en 29 januari 2007.

Met betrekking tot de door de gemachtigde van appellante genoemde doorzendplicht is de Raad van oordeel dat deze doorzendplicht, ingevolge artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, enkel geldt voor bezwaar- of beroepschriften welke zijn ingediend bij een onbevoegd orgaan. De Raad volgt de stelling van de gemachtigde van appellante dat het op de weg van de rechtbank had gelegen om het bedrag over te maken naar de rekening van de Raad dan ook niet.

De Raad is tevens van oordeel dat de gevolgen van processuele handelingen, waaronder tevens te verstaan nalaten, van een gemachtigde in het algemeen voor rekening en risico dienen te blijven van degene die zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd.

Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MH