Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
06-4765 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft zorgkantoor ten onrechte geen besluit genomen ten aanzien van proceskosten in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4765 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 juli 2006, 05/683 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

Zorgkantoor Zuid-Limburg te Tilburg (hierna: het zorgkantoor),

Datum uitspraak: 19 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.P.M. Snoeijer, werkzaam bij juridisch advies- en consultancybureau Snoeijer te Brunssum, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2008. Voor appellant is verschenen mr. Snoeijer. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Baytemir, werkzaam bij de onderlinge waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars groep Zorgverzekeraar U.A. (hierna: CZ).

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 25 mei 2004 heeft de stichting Regionale Indicatiestelling Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: RIO) appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) geïndiceerd voor de functies huishoudelijke verzorging, verpleging en activerende begeleiding algemeen voor de periode van 16 oktober 2003 tot 16 oktober 2006.

1.2. Op basis van dit besluit van het RIO van 25 mei 2004 heeft het zorgkantoor bij besluit van 6 juni 2004 op grond van het bepaalde bij en krachtens de regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet aan appellant een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) voor de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 toegekend.

1.3. Namens appellant is tegen dit besluit van het zorgkantoor van 6 juni 2004 bij brief van 13 juli 2004 bezwaar gemaakt. Hierbij is tevens verzocht om een vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten.

1.4. Bij besluit van 10 november 2004 heeft het zorgkantoor het besluit van

6 juni 2004 gecorrigeerd en een wijziging in het PGB van appellant aangebracht.

1.5. Bij besluit van 23 februari 2005 heeft het RIO het bezwaar van appellant tegen het indicatiebesluit van 25 mei 2004 gegrond verklaard. Het RIO heeft de bij besluit van

25 mei 2004 vastgestelde indicatie gewijzigd omdat deze op een aantal punten onjuist was.

1.6. Op basis van dit besluit van het RIO van 23 februari 2005 heeft het zorgkantoor bij besluit van 15 maart 2005 tevens het PGB van appellant gewijzigd.

1.7. Bij besluit van 16 maart 2005 heeft het zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juni 2004 deels gegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat het zorgkantoor met het besluit van 10 november 2004 al feitelijk aan het bezwaar van appellant is tegemoet gekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

16 maart 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank tevens overwogen dat het

zorgkantoor terecht geen proceskosten in bezwaar heeft toegekend, omdat het besluit van 6 juni 2004 niet is herroepen wegens een aan het zorgkantoor te wijten onrechtmatigheid.

3. Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Kort samengevat is aangevoerd dat in het besluit van 16 maart 2005 ten onrechte geen beslissing is genomen op het verzoek om een vergoeding van de aan de behandeling van het bezwaar verbonden kosten. Aan appellant dienen deze kosten alsnog vergoed te worden, omdat het besluit van 6 juni 2004 is herroepen wegens een aan het zorgkantoor te wijten onrechtmatigheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hoger beroep is uitsluitend de toepassing van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in geding.

4.2. In artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin van de Awb is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.3. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist en beslist het bestuursorgaan op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.

4.4. Appellant heeft tegen het primaire besluit van 6 juni 2004 bezwaar gemaakt en

daarbij aangevoerd dat ten onrechte het aantal uren activerende begeleiding met terugwerkende kracht is verlaagd. Het zorgkantoor heeft bij zijn besluit van 10 november 2004 het (primaire) be-sluit van 6 juni 2004 herroepen. In het besluit op bezwaar van 16 maart 2005 staat als reden daar-voor vermeld, dat “in eerste instantie inderdaad een verkeerd aantal uren is opgenomen”. De Raad concludeert op grond hiervan dat het herroepen

besluit onrechtmatig was. Uit de stukken blijkt niet dat enig ander feit dan het door

appellant gemaakte bezwaar aanleiding is geweest voor een herroeping.

4.4.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van het zorgkantoor aangevoerd dat het besluit van 10 no-vember 2004 is gebaseerd op een nieuw indicatiebesluit van het RIO. Appellant ontkent dit. Nu de Raad niet is gebleken van enig indicatiebesluit van het indicatieorgaan, afgegeven in de periode tussen 6 juni 2004 en 10 november 2004 en van de zijde van het zorgkantoor een nieuw indicatie-besluit niet concreet kon worden geduid, stelt de Raad vast dat een nieuw indicatiebesluti van het RIO niet de reden kan zijn geweest voor de herroeping van het primaire besluit van 6 juni 2004.

4.4.2. Voorts is ter zitting door de gemachtigde van het zorgkantoor geopperd dat er

mogelijk contact kan zijn geweest met het RIO over het aantal geïndiceerde uren, hetgeen volgens haar wellicht aanleiding voor het besluit van 10 november 2004 zou kunnen zijn geweest. In dat geval is de onrechtmatigheid volgens de gemachtigde niet aan het zorgkantoor te wijten. Nu zij echter haar stelling met geen enkel feitelijk gegeven heeft

kunnen onderbouwen, gaat de Raad er van uit dat het door haar bedoelde contact met het RIO niet heeft plaatsgevonden. Gelet hierop kan en zal de Raad in het midden laten of een op onjuiste in-formatie van het RIO berustende verlening van een PGB al dan niet aan het zorgkantoor kan wor-den verweten (in de zin van artikel 7:15 van de Awb).

4.5. Nu de Raad niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan

geconcludeerd zou moeten worden dat het verlenen van een onjuist PGB niet aan het zorgkantoor is te wijten, komen de kosten die appellant in verband met de behandeling van zijn bezwaar rede-lijkerwijs heeft moeten maken voor vergoeding in aanmerking.

4.6. Het zorgkantoor heeft - in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb - ten

onrechte bij het besluit op bezwaar geen beslissing genomen over de gevraagde

vergoeding van kosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar.

De stelling van het zorgkantoor dat het niet opnemen van een beslissing in het besluit op

bezwaar moet worden gezien als een afwijzing kan niet als juist worden aanvaard.

4.7. Uit hetgeen is overwogen onder 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep doel treft.

De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 16 maart 2005 - voorzover dit besluit ziet op het niet nemen van een besluit op het verzoek om een vergoeding van de kosten van de

bezwaarprocedure - wegens strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb vernietigen.

De Raad zal voorts, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb, het zorgkantoor veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand. Gelet hierop behoeft appellant geen besluit meer te nemen over de gevraagde kosten.

4.8. De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in to-taal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 maart 2005 voorzover geen besluit is genomen op het verzoek om een vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure ;

Veroordeelt het zorgkantoor in de kosten van appellant tot een bedrag van

€ 1932,-- te betalen door CZ;

Bepaalt dat het zorgkantoor aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt, te betalen door CZ.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uigesproken in het openbaar op

19 maart 2008.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) R.L. Rijnen.