Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
06-1887 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Nieuwe CBBS. Signaleringen. Afzonderlijk overzicht onontbeerlijk van alle zich voordoende in toelichtingen opgenomen beperkingen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:58, geldigheid: 2008-03-14
Algemene wet bestuursrecht 8:64, geldigheid: 2008-03-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1887 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 februari 2006, 05/643

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C. Tubbergen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. Tubbergen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van het Uwv van 27 januari 2005 (bestreden besluit), waarbij het Uwv - beslissend op bezwaar - zijn besluit van

23 september 2004 heeft gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 24 november 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

De rechtbank is - kort samengevat - tot het oordeel gekomen dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv

- op zorgvuldige wijze - vastgestelde belastbaarheid van appellant per 24 november 2004.

Vervolgens is de rechtbank met betrekking tot het arbeidskundige deel van het bestreden besluit tot het oordeel gekomen dat dat besluit op een ondeugdelijke motivering berust, maar dat het Uwv er in beroep in is geslaagd de vereiste motivering van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende uitgangspunten te geven. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat deze nadere arbeidskundige onderbouwing, vervat in het op

3 augustus 2005 bij de rechtbank binnengekomen rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 juli 2005, gelet op het bepaalde in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te laat bij de rechtbank is ingediend. Appellant is evenwel niet in zijn processuele belangen geschaad, nu de rechtbank de behandeling van het beroep ter zitting van 10 augustus 2005 heeft geschorst ter bescherming van het procesbelang van appellant, waarna de behandeling is hervat ter zitting van

26 januari 2006. Echter, in de omstandigheid dat het Uwv eerst hangende het beroep de vereiste motivering heeft gegeven, heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4719) het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand gelaten, met aanvullende beslissingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten.

In hoger beroep heeft appellant de Raad verzocht om zich eerst uit te laten over de vraag of de rechtbank terecht het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 juli 2005 als gedingstuk heeft toegelaten. Nadat de Raad daarover een (tussen)beslissing heeft gegeven, zou aan appellant een nadere termijn moeten worden gegeven om nadere gronden met betrekking tot dat stuk in te dienen. Verder heeft appellant gesteld dat hij het niet eens is met de vastgestelde belastbaarheid en de passendheid van de geduide functies, dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) enkele verborgen beperkingen bevat en dat het bestreden besluit nog steeds onvoldoende is gemotiveerd, gelet op de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 en 12 oktober 2006 over het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).

Zoals reeds ter zitting aan partijen meegedeeld, willigt de Raad het verzoek van appellant om eerst een tussenuitspraak te geven met betrekking tot het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van

27 juli 2005 niet in, reeds omdat de Awb noch de Beroepswet daarin voorziet.

De grief, zo vat de Raad de door appellant opgeworpen vraag op, tegen het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de nadere arbeidskundige motivering van het bestreden besluit treft voorts geen doel.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad bevat artikel 8:58 van de Awb geen vervaltermijn, maar een termijn van orde. Gezien de tekst en de strekking van dit artikel dienen de stukken uiterlijk de elfde dag voor de zitting door de rechtbank te zijn ontvangen en dient aan deze termijn in het algemeen strikt de hand te worden gehouden, maar is de rechtbank onder omstandigheden bevoegd ook stukken die later zijn ingediend, in de beoordeling te betrekken, mits tenminste is gewaarborgd dat de wederpartij daardoor niet onredelijk in zijn procesvoering wordt bemoeilijkt. Ter vermijding van de situatie die artikel 8:58 van de Awb juist wil voorkomen heeft de rechtbank gebruik gemaakt van haar bevoegdheid tot schorsing van het onderzoek ter zitting als bedoeld in artikel 8:64 van de Awb teneinde appellant in de gelegenheid te stellen zich over het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige uit te laten. De Raad acht dit geheel in overeenstemming met de beginselen van een goede procesorde. Dat appellant vervolgens niet op het bewuste stuk heeft willen reageren, leidt niet tot een ander oordeel.

Met betrekking tot de medische kant van het bestreden besluit is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellant niet hebben onderschat. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die tot een ander oordeel moeten leiden. Het schrijven van het Uwv van 6 februari 2005 noch het ‘Plaatsingsplan’ bevat naar het oordeel van de Raad voor dit geding relevante gegevens.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de zaak overweegt de Raad het volgende.

Met betrekking tot het nieuwe CBBS verwijst de Raad naar zijn uitspraken van

12 oktober 2006 (onder meer LJN: AY9971). Daarin komt de Raad tot de slotsom dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals deze zijn beschreven in de eerder genoemde uitspraken van de Raad van

9 november 2004, in voldoende mate zijn opgeheven.

De Raad is in zijn uitspraken van 12 oktober 2006 voorts tot de conclusie gekomen dat met het oog op een voldoende mate van inzichtelijkheid en toetsbaarheid voor de justitiabelen, de rechtshulpverleners en de rechter van met behulp van het aangepaste CBBS tot stand gekomen arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen, er niet aan zal kunnen worden ontkomen dat de door het systeem aangebrachte signaleringen in de vorm van

M of M*, welke immers erop duiden dat met betrekking tot een onderdeel of meerdere onderdelen van de functiebelasting mogelijkerwijs sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of die punten, alle worden voorzien van een afzonderlijke toelichting waaruit kan blijken dat en waarom van een daadwerkelijke overschrijding (toch) geen sprake is.

Dit betekent dat alle door het systeem aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn.

De Raad stelt allereerst vast dat voor zover op de formulieren Resultaat Functiebeoordeling door de bezwaararbeidsdeskundige een M is gewijzigd in een G, die wijzigingen in het rapport van 27 juli 2005 niet zijn voorzien van een toelichting. Derhalve is niet voldaan aan de, hiervoor gememoreerde, eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid.

Voorts staat vast, daarover zijn partijen zoals ter zitting is gebleken het eens, dat de (kritische) FML van 20 juli 2004 een tweetal - in de toelichting - verborgen beperkingen bevat (op de items: “concentreren van de aandacht” en “verdelen van de aandacht”). Zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld (LJN: AZ9153) is een wijze van invulling van de (kritische) FML waarbij niet alle vastgestelde beperkingen ook daadwerkelijk als beperking worden ingevuld, maar worden opgenomen in een toelichting, onjuist. De Raad sluit daarbij niet op voorhand uit dat in voorkomende gevallen waarin gebruik is gemaakt van een (kritische) FML met in toelichtingen verborgen beperkingen, (toch) aan deze eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid kan zijn voldaan. Ter aanvullende motivering zal dan evenwel een afzonderlijk overzicht onontbeerlijk zijn van alle zich voordoende in toelichtingen opgenomen beperkingen, voorzien van een toereikende toelichting per belastingonderdeel waarom de betreffende functies toch als passend kunnen worden aangemerkt.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ten slotte zal het Uwv worden veroordeeld in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 644,=, aan appellant te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.

(get.) R.C. Stam.

(get.) W.R. de Vries.