Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
06/1038 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Medische en arbeidkundige grondslag juist? Eerst in hoger beroep afdoende toelichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1038 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 december 2005, 05/557 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema, verbonden aan Juricon Adviesgroep B.V. te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

In augustus 1991 is appellante uitgevallen voor haar werkzaamheden als leidster kinderopvang. Zij heeft in november 1991 en in september 1992 een hersenoperatie ondergaan.

Met ingang van 25 augustus 1992 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Op 24 november 2003 en 23 maart 2004 is appellante onderzocht door de voor het Uwv werkzame arts D. Schroers. Op verzoek van Schroers heeft de neuropsycholoog/gz-psycholoog dr. E.J.T. Matser een neuropsychologisch onderzoek afgenomen bij appellante. In zijn rapport van 13 februari 2004 concludeert Matser dat bij haar sprake is van milde neurocognitieve tekorten. Hij acht appellante beperkt voor het uitvoeren van taken onder tijdsdruk, wanneer meerdere taken tegelijkertijd uitgevoerd moeten worden en wanneer taken een lange duur hebben.

Schroers heeft op 2 april 2004 een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige P.W.R. Aartsen in zijn rapport van

16 september 2004 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen van appellante berekend op 37%. Bij besluit van 22 september 2004 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 17 november 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 11 april 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 september 2004 ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Evenals in bezwaar en in beroep heeft appellante de juistheid van de medische en de arbeidskundige grondslag van de onderhavige schatting aangevochten.

Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt de Raad voorop dat de gemachtigde van appellante bij faxbericht van 21 januari 2008 heeft aangegeven dat de beroepsgronden die betrekking hebben op artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) als vervallen beschouwd kunnen worden. De Raad begrijpt deze mededeling aldus, dat de beroepsgronden die betrekking hebben op de inzichtelijkheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid van het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) worden ingetrokken.

Indien en voor zover appellante haar grieven tegen het gebruik van het CBBS als zodanig zou beogen te handhaven, dienen deze naar oordeel van de Raad te worden verworpen. De Raad verwijst daartoe naar zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR 4716 e.v.) en 12 oktober 2006 (LJN AY9971), waaruit volgt dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, ook voor zover dat systeem inhoudt dat beperkingen in beginsel worden bepaald door middel van een vergelijking met zogenaamde normaalwaarden. In deze uitspraken heeft de Raad echter ook gewezen op enkele onvolkomenheden in de motivering van de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid door middel van het CBBS. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk bij de beslissing op het bezwaar aan de hoge eisen van de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende besluit ten grondslag gelegde uitgangspunten is voldaan. In het geval dat in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep een besluit op bezwaar dat vóór 1 juli 2005 is genomen, alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De vraag of, en zo ja op welk moment, voldaan is aan de in genoemde uitspraken verwoorde motiveringseisen zal de Raad bespreken bij de beoordeling van de arbeidskundige aspecten van het bestreden besluit.

Als eerste zijn echter de medische aspecten van het bestreden besluit aan de orde. Te dien aanzien overweegt de Raad het volgende.

De Raad ziet geen aanleiding om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van appellante onzorgvuldig of onvolledig te achten. De Raad stelt vast dat appellante zowel lichamelijk als psychisch is onderzocht en dat de informatie afkomstig van de artsen bij wie appellante onder behandeling is geweest in de verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming is betrokken. In aanvulling hierop is appellante op verzoek van het Uwv door de neuropsycholoog Matser onderzocht.

De Raad is van oordeel dat appellante geen medische informatie heeft overgelegd, waaruit moet worden afgeleid dat zij op de in geding zijnde datum 17 november 2004 meer en/of andere beperkingen ondervond dan die zijn aangenomen door het Uwv. Naar oordeel van de Raad biedt het op verzoek van appellante door de psychologen

M.H. Krijgsveld en W.D. van der Zwaag verrichte neuropsychologische onderzoek geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Op hoofdlijnen komen hun bevindingen in belangrijke mate overeen met die van Matser. De Raad heeft, mede gelet op de kritiek van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen op dit onderzoek in zijn rapport van

2 november 2005 – zo vermeldt Tjen dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt van een door appellante doorgemaakte CVA in 1997 en dat aanwijzingen voor een hemispatieel neglect niet nader zijn verduidelijkt – hierin geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld.

Verder is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts voldoende rekening heeft gehouden met de door de neuropsycholoog Matser in zijn rapport van 13 februari 2004 genoemde beperkingen. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat er volgens Matser sprake is van milde neurocognitieve tekorten en dat appellante door de verzekeringsarts onder meer beperkt is geacht voor werken met deadlines en productiepieken en voor werk met een hoog handelingstempo. Voorts is de Raad van oordeel dat met het aannemen van een urenbeperking – in de FML is aangegeven dat zij gemiddeld tot niet meer dan vier uur arbeid per dag in staat is – in voldoende mate rekening is gehouden met de door Matser weergegeven mogelijkheid van surménageklachten.

In de medische voorgeschiedenis van appellante ziet de Raad evenmin aanleiding om te te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen. De Raad acht in dit verband van belang dat de neurochirurg D. Wijnalda al in zijn brief van

6 januari 1993 schrijft dat er, behalve van enig weefselverlies ter plaatse van de eerder verrichte herseningrepen, geen sprake meer is van afwijkingen, dat het EEG geen epileptische activiteit toont en dat het neuropsychologisch onderzoek geen specifieke cognitieve stoornissen toont. Voorts heeft de Raad daarbij gelet op de informatie afkomstig van de neuroloog E.F.J. Poels. Uit de brieven van Poels, die dateren uit de periode 8 juli 1993 tot 7 november 1995, leidt de Raad af dat er in de jaren direct na die waarin de hersenoperaties zijn verricht in verschillende onderzoeken geen aanwijzingen voor neurologische afwijkingen zijn gevonden. Zowel Wijnalda als Poels hebben aangegeven dat er bij appellante nog wel sprake was van beperkingen die door angststoornissen werden veroorzaakt. De Raad overweegt dienaangaande het volgende. De datum die thans in geding is, 17 november 2004, ligt meerdere jaren na de periode waarop genoemde informatie van appellantes voormalige behandelend artsen betrekking heeft. De Raad stelt vast dat appellante op de datum in geding geen medicatie meer ontving voor angststoornissen en ook dat zij daar al enige jaren niet meer voor onder behandeling stond. Mede in aanmerking nemend dat de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting van 17 maart 2005 geen psychisch gedecompenseerd toestandsbeeld, manifeste psychopathologie of psychisch disfunctioneren in een andere vorm heeft waargenomen, acht de Raad het niet onjuist dat er geen beperkingen zijn aangenomen op grond van die angststoornissen.

Wat de arbeidskundige aspecten van het bestreden besluit betreft, overweegt de Raad het volgende.

De Raad is van oordeel dat de belasting in de voor appellante geselecteerde functies haar belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML, niet overschrijdt. De arbeidsdeskundige Aartsen heeft met verzekeringsarts J.C.F. Schellekens overlegd over mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid, waarvan verslag is gedaan in het rapport ‘Overleg VA-AD Afwijkende Functiebelasting’ van 1 september 2004. Verder hebben de bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters in zijn rapport van 6 april 2005 en de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten in zijn rapporten van 23 augustus 2005 en

19 april 2006 een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van de geduide functies. Zij zijn onder meer ingegaan op de beoordeling van zogenaamde niet-matchende items, op de nummering van de belastingaspecten van de geduide functies en op specifieke bezwaren tegen verschillende van de geduide functies. Aldus acht de Raad voldoende toegelicht dat appellantes belastbaarheid niet is overschreden.

De Raad is evenwel van oordeel dat uiteindelijk eerst met de in beroep en in hoger beroep overgelegde rapportages van deze bezwaararbeidsdeskundigen een toelichting op de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is gegeven, die voldoet aan de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid. Onder verwijzing naar zijn hiervoor genoemde uitspraken van

9 november 2004 en 12 oktober 2006, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen ervan in stand kunnen worden gelaten.

Gelet op het voorgaande, komt de Raad tot de slotsom dat ook de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

Naar oordeel van de Raad komt, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) en op het op dergelijke kosten van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken 2003, het verzoek tot vergoeding van de kosten van het op verzoek van appellante door de psychologen Krijgsveld en Van der Zwaag uitgebrachte rapport van 18 oktober 2005 van € 475,- voor toewijzing in aanmerking.

De door het Uwv aan appellante te vergoeden proceskosten bedragen in totaal € 1441,-.

Voor vergoeding van de wettelijke rente bestaat naar oordeel van de Raad geen aanleiding. De Raad wijst het verzoek tot vergoeding daarvan dan ook af.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1441,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.