Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8202

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
06-2870 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Medische beoordeling juist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2870 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 april 2006, 05/3978 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 23 september 2006 nadere stukken ingezonden. Het Uwv heeft een reactie van de bezwaarverzekeringsarts op die stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep is gericht tegen het besluit van 12 mei 2005 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Dat besluit strekt tot handhaving van de weigering om appellante per 5 juli 2003 een WAO-uitkering toe te kennen.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De Raad gaat in zijn beoordeling uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde, feiten.

Appellante was laatstelijk werkzaam als portier/telefoniste voor 18 uur per week.

Op 6 juli 2002 heeft zij zich ziek gemeld wegens voet- en enkelklachten. De behandelend orthopedisch chirurg heeft voor die klachten geen overtuigende afwijkingen kunnen vaststellen. Op 3 november 2004 is appellante medisch onderzocht. Zij heeft daarbij naast de voet- en enkelklachten aangegeven dat haar gezichtsvermogen is verminderd. Zij is verder onder psychiatrische behandeling. De voor appellante uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De bezwaarverzekeringsarts heeft de juistheid van die lijst onderschreven.

De arbeidsdeskundige heeft een beschrijving gegeven van de laatstelijk door appellante verrichte werkzaamheden. Haar dienstverband was geëindigd. De in de FML aangegeven beperkingen staan volgens de arbeidsdeskundige niet in de weg aan het verrichten van soortgelijke werkzaamheden.

De Raad overweegt het volgende.

Het hoger beroep keert zich tegen de juistheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling. De door appellante in hoger beroep overgelegde geneeskundige informatie bevestigt het beeld waarvan de (bezwaarverzekerings)arts bij het opstellen van de FML is uitgegaan. Uit die informatie blijkt, anders dan appellante meent, niet dat de in de FML aangegeven beperkingen op de in geding zijnde datum zijn onderschat. De arbeidsdeskundige heeft naar het oordeel van de Raad voldoende onderbouwd dat deze beperkingen niet in de weg staan aan het verrichten van soortgelijke werkzaamheden als die door appellante voorafgaand aan haar ziekmelding zijn verricht. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat dan de afwezigheid van arbeidsongeschiktheid wordt verondersteld. Bijzondere omstandigheden om van die veronderstelling af te wijken zijn niet gebleken.

De verslechtering in de gezondheid van appellante die na 5 juli 2003 is ontstaan, is voor de beoordeling in deze zaak niet van belang.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.