Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
06-2420 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van op 45 tot 55%. Chronisch vermoeidheidssyndroom. Nadere motivering arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2420 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 maart 2003 (lees: 2006), 05/2349 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.F.J.L. Homan, advocaat te Mijdrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Homan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was laatstelijk werkzaam als secretaresse bij KPMG voor 36 uur per week. Per 2 januari 2001 heeft zij haar werk in verband met misselijkheid, toenemende bekkenklachten, een carpaal tunnelsyndroom (CTS) en zwangerschapshypertensie gestaakt. Rekening houdend met haar zwangerschapsverlof is haar na het einde van de wettelijke wachttijd per 23 april 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Daarnaast ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit die situatie heeft appellante zich op 20 mei 2002 ziek gemeld met klachten van overspannenheid en oververmoeidheid. Bij besluit van 3 december 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 19 mei 2003 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 27 september 2004 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 8 november 2004 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij het thans bestreden besluit van 20 juli 2005 heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid, waarnaar de WAO-uitkering wordt berekend, per 8 november 2004 nader vastgesteld op 45 tot 55%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, zoals in het dictum van die uitspraak is weergegeven, het bestreden besluit vernietigd, waaraan tussen haakjes is toegevoegd: “voor zover het de arbeidskundige beoordeling betreft”. Voorts heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

De rechtbank heeft het arbeidskundige deel van het bestreden besluit vernietigd. Naar het ambtshalve oordeel van de Raad leent dit deel van het bestreden besluit zich niet voor afzonderlijke vernietiging en kan reeds om die reden het dictum van de aangevallen uitspraak geen stand houden. In zijn uitspraak van 16 maart 2005, CJN AT 1852, heeft de Raad al overwogen dat de arbeidskundige component niet valt aan te merken als een zelfstandig deelbesluit.

Voorts overweegt de Raad als volgt.

De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en maakt deze tot de zijne. De in hoger beroep van de zijde van appellante ingebrachte gegevens van medische aard, inhoudende dat er geen nieuwe verklaringen zijn voor haar vermoeidheidsklachten en dat deze passen bij een chronisch vermoeidheidssyndroom, leiden de Raad niet tot een ander oordeel. Daarbij merkt de Raad op dat appellante zowel door de verzekeringsarts als door de bezwaarverzekeringsarts is onderzocht. Deze waren bekend met haar (vermoeidheids)klachten en hebben bij het inschatten van de functionele mogelijkheden van appellante daarmee rekening gehouden.

Ter zitting heeft appellante er nog op gewezen dat zij inmiddels voor tien uur in de week werkzaamheden verricht, maar dat het zich laat aanzien dat zij deze vanwege haar klachten niet zal kunnen volhouden. Die omstandigheid heeft, wat daar verder van zij, betrekking op de situatie van appellante in 2008, en kan om die reden al niet van doorslaggevende betekenis worden geacht met betrekking tot de medische situatie per 8 november 2004.

De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is eerst (met instemming van appellante) ter zitting van de rechtbank voldoende toegelicht, hetgeen voor de rechtbank reden is geweest het bestreden besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen in stand te laten. Datgene dat in hoger beroep van de zijde van appellante is aangevoerd geeft de Raad geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag gelegde functies, zoals in beroep toegelicht, voor appellante uit medisch oogpunt niet geschikt zijn.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak waarbij de rechtsgevolgen van het door de rechtbank gedeeltelijk vernietigde besluit in stand zijn gelaten, moet worden bevestigd met dien verstande dat de Raad, gelet op het hiervoor overwogene, het bestreden besluit vernietigt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat het bestreden besluit wordt vernietigd.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

RJB