Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
06-2994 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juistheid vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2994 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 april 2006, 05/7073

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.F.C. van Megen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Megen. Het Uwv is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak heeft voorzien, aldus dat de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van

28 augustus 2005 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Als punt van geschil in hoger beroep is van de zijde van appellant aangegeven dat hij het oneens is met het standpunt van het Uwv dat er voor hem bij het verrichten van arbeid geen urenbeperking geldt. Appellant is de mening toegedaan dat hij vanwege zijn beperkingen niet in staat is voltijds te werken. Hij acht zich in deze visie gesteund door de rapportage van de internist prof. dr. J.W.M van der Meer. Deze rapportage is naar de mening van appellant niet op juiste waarde geschat door het Uwv en de rechtbank.

In zijn, op verzoek van appellant, opgestelde rapport van 23 februari 2006 vermeldt genoemde internist Van der Meer dat hij bij lichamelijk onderzoek en bij laboratoriumonderzoek geen afwijkingen bij appellant heeft kunnen vaststellen en dat, bij ontstentenis van een andere oorzaak die kan dienen ter verklaring van de vermoeidheidsklachten van appellant, de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom gesteld kan worden. Als gevolg hiervan ondervindt appellant volgens Van der Meer ernstige beperkingen in het dagelijks leven en ligt het in de rede aan te nemen dat hij niet meer dan 15 à 20 uur per week kan werken.

Voor wat betreft de urenbeperking heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts P. Momberg terecht heeft gesteld dat er geen reden is om appellant in uren te beperken indien de belasting van de betreffende functies blijft binnen de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst, dit gelet op het ontbreken van objectiveerbare afwijkingen waaruit de vermoeidheidsklachten van appellant te verklaren zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan het al dan niet consistent zijn van het klachtenpatroon als zodanig geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De door de internist geleverde informatie vormde voor de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid van appellant.

De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop gegronde oordeel. De beschikbare medische gegevens in ogenschouw nemend, is er ook naar het oordeel van de Raad geen toereikend objectief-medisch substraat voor het oordeel dat er sprake moet zijn van meer, andere of zwaardere beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid dan die welke door de (bezwaar)verzekeringsartsen reeds in aanmerking zijn genomen. Met name geldt dit ook voor de door appellant bepleite urenbeperking.

Het hoger beroep slaagt aldus niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.

JL