Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
06-3019 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling. Intrekking WAO-uitkering: niet langer arbeidsongeschikt. De informatie van de revalidatiearts biedt onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3019 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2006, 05/1219 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Voor appellant is verschenen mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, voorheen werkzaam als schoonmaker voor 12,5 en 38 uur per week, in dienst bij twee werkgevers, valt voor dit werk op 20 december 1998 uit met lage rugpijnklachten. Na afloop van de wachttijd is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In het kader van een herbeoordeling – samenvallend met een verzoek van appellant om verhoging van de WAO – onderzoekt verzekeringsarts M. Smits appellant op het spreekuur van 6 april 2004. Deze komt, na de beschikbare informatie van de revalidatiearts W. Beuving van 23 oktober 2003 bij haar beoordeling te hebben meegewogen, tot de conclusie dat er geen toegenomen beperkingen zijn en slechts sprake is van enkele lichte beperkingen ten aanzien van zware fysieke arbeid. Met inachtneming van deze beperkingen heeft de verzekeringsarts de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 april 2004. Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige A.M. Fafiani de maatgevende arbeid van schoonmaker voor 50,5 uur per week beoordeeld en is daarna, zoals is aangegeven in de rapportage van 26 augustus 2004, tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt moet worden geacht voor deze arbeid.

In overeenstemming hiermee heeft het Uwv appellant bij besluit van 3 september 2004 meegedeeld dat hij niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht voor de WAO en dat daarom zijn uitkering met ingang van 27 oktober 2004 wordt ingetrokken.

In het kader van het door appellant tegen het besluit van 3 september 2004 gemaakte bezwaar wordt door de bezwaarverzekeringsarts W.A. Faas informatie opgevraagd bij de revalidatiearts Beuving. Na bestudering van de ontvangen informatie en dossieronderzoek concludeert de bezwaarverzekeringsarts dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van het primaire medische oordeel.

Bij besluit van 20 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn opvatting staande gehouden dat hij op 27 oktober 2004 op grond van pijnklachten in nek, arm en borst en de linkerzijde van zijn lichaam en soms ook in zijn linkerheup en -been niet in staat was tot het (voltijds) verrichten van zijn eigen werk als schoonmaker. Hierbij heeft appellant verwezen naar de zich reeds in het dossier bevindende informatie van revalidatiearts Beuving.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad overweegt – onder verwijzing naar de rapportage van 11 april 2005 van bezwaarverzekeringsarts Faas – dat de informatie van de revalidatiearts Beuving onvoldoende aanknopingspunten biedt om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts. De Raad kan zich verenigen met het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de stelling dat appellant niet in staat lijkt tot voltijds werken niet door Beuving met medisch objectieve gegevens is onderbouwd. Uit haar informatie blijkt dat de lichamelijke klachten van appellant niet volledig kunnen worden verklaard door het röntgenonderzoek. Daarbij komt dat Beuving appellant voor het laatst heeft gezien op 23 september 2003, derhalve ruim voor de datum hier in geding 27 oktober 2004. Nu verzekeringsarts Smits appellant lichamelijk en psychisch heeft onderzocht en daarbij tevens de informatie van revalidatiearts Beuving heeft betrokken, en de arbeidsdeskundige Fafiani de geschiktheid voor de maatgevende arbeid uitgebreid heeft onderzocht, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan het door het Uwv ingenomen standpunt dat appellant met ingang van 27 oktober 2004 weer in staat moet worden geacht zijn eigen functie van schoonmaker voor 50,5 uur per week te verrichten. Het Uwv heeft dan ook, naar het oordeel van de Raad, terecht de uitkering ingevolge de WAO met ingang van die datum ingetrokken.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M. Lochs.

RJB