Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8163

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
06-2622 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde beperkingen. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2622 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 maart 2006, 05/4209 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.I. Henny, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Appellant is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als magazijnmedewerker toen hij in 1995 uitviel wegens maag, hart- en vingerklachten. Bij het einde van de wachttijd van 4 weken heeft het Uwv hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

Op 6 januari 2005 is appellant in het kader van een herbeoordeling onderzocht door de verzekeringsarts M.P.F. Klerx, die de beperkingen van appellant heeft weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige S.P.J. de Man functies geselecteerd, waarna hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant heeft berekend op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 11 februari 2005 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 10 april 2005 ingetrokken.

De bezwaarverzekeringsarts J.W.H.J. Verzijden heeft in zijn rapport van

7 september 2005 de bevindingen van verzekeringsarts Klerkx onderschreven, waarna het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 februari 2005 bij besluit van

30 september 2005 (het bestreden besluit) ongegrond heeft verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er, gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder (met name) de rapporten van verzekeringsarts Klerkx en bezwaarverzekeringsarts Verzijden, geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per 10 april 2005 en dat appellant op de datum in geding in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat de verzekeringsarts bij zijn onderzoek informatie van de behandelend sector heeft meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende toegelicht dat de onderzoeksbevindingen ten aanzien van appellant zijn getoetst aan de Standaard Verminderde Arbeidsduur. De conclusie van de door de Raad in een eerdere procedure benoemde deskundige, de cardioloog prof. dr. F.W.A. Verheugt, dat appellant lijdt aan een niet ongevaarlijke aandoening, ziet volgens de rechtbank op de situatie per

4 januari 1999 en vormt naar haar oordeel onvoldoende aanleiding om te oordelen dat appellants medische situatie op de datum in geding is onderschat.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zijn te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid en dat in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd is aangegeven dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Wat betreft appellants grief dat de bezwaararbeidsdeskundige niet is ingegaan op de aspecten dwingend werktempo en concentreren, overweegt de rechtbank dat ten aanzien van de aspecten handelingstempo en concentreren van de aandacht geen beperkingen zijn aangegeven in de FML, zodat de geduide functies niet hoeven te worden beoordeeld op deze aspecten.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere in de procedure naar voren gebrachte grieven herhaald.

De Raad heeft geen aanleiding gezien omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. In hoger beroep heeft appellant geen medische informatie ingebracht die tot twijfel zou kunnen leiden.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zijn te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid en dat de belasting in die functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt, zodat er geen reden is om te twijfelen aan de geschiktheid van appellant voor de geduide functies.

In het licht van 's Raads jurisprudentie van 12 oktober 2006 (o.a. LJN: AY9971) en

23 februari 2007 (LJN: AZ9153) heeft het Uwv bij rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen E.J.M. van Paridon van 30 januari 2007 en R. Rombout van 27 maart 2007 en de bezwaararbeidsdeskundige T.C.W.J. Stokking van 9 maart 2007 een nadere uiteenzetting gegeven met betrekking tot de geschiktheid van appellant voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Voorts heeft het Uwv op verzoek van de Raad middels nadere rapporten van bezwaarverzekeringsarts Rombout van

16 november 2007 en bezwaararbeidsdeskundige Stokking van 14 november 2007 nog een nadere toelichting gegeven op een aantal mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies. De Raad is van oordeel dat het Uwv door middel van deze rapportages toereikend heeft gemotiveerd waarom de voor de schatting gebruikte functies voor appellant geschikt zijn te beschouwen. Nu een dergelijke toelichting eerst in hoger beroep is gegeven bestaat er aanleiding het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, doch met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De proceskosten worden derhalve in totaal begroot op € 644,-.

Nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, komt het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente niet voor toewijzing in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL