Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
06-4168 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mede in aanmerking genomen de moeilijke bewijspositie waarin appellante door de aan het Uwv toe te rekenen lange tijdsduur is gekomen, gaat de Raad uit van de juistheid van de lezing van appellante. Omvang maatgevende arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4168 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 1 juni 2006, 05/565 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep is gericht tegen het besluit van 3 mei 2005 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Dat besluit strekt tot handhaving van de weigering om appellante per 16 september 1996 een WAO-uitkering toe te kennen. Het door ziekte of gebrek veroorzaakte verlies aan verdiencapaciteit bedraagt minder dan 15%. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Appellante heeft aanvankelijk als slagerijmedewerkster in een supermarkt in een dienstverband van 32 uren per week gewerkt. In september 1992 heeft zij dat werk wegens knieklachten gestaakt. In verband hiermee is haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Die uitkering is met ingang van 16 januari 1995 beëindigd. Appelante heeft toen bij haar werkgeefster hervat als caissière in een 32-urige werkweek.

In januari 1996 heeft appellante in aansluiting op haar bevallingsverlof haar werk als caissière hervat. Zij heeft feitelijk 20 uren per week gewerkt. Later dat jaar werd als diagnose gesteld dat appellante lijdt aan de ziekte van Pfeiffer en zij heeft om die reden medio 1996 haar werk neergelegd. Opnieuw opspelende knieklachten hebben geleid tot een nieuwe ziekmelding per 19 augustus 1996.

Na een wachttijd van 52 weken is appellante de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering geweigerd en het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 29 december 1998 afgewezen. Bij uitspraak van 7 november 2003 (LJN:AO 0286) heeft de Raad, kort gezegd, het besluit van 29 december 1998 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante. Daartoe heeft de Raad onder meer overwogen dat op grond van de (toen) aan hem bekende gegevens niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de ziekmelding per 19 augustus 1996 geen verband hield met de eerdere knieklachten van appellante.

Het bestreden besluit strekt tot handhaving van de afwijzing van de aanvraag tot toekenning van een WAO-uitkering in verband met de ziekmelding per 19 augustus 1996. Hierbij is uitgegaan van de kortere wachttijd van artikel 43a van de WAO.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante per 19 september 1996 door ziekte of gebrek weliswaar niet langer in staat is haar eigen werkzaamheden als caissière in een dienstverband van 20 uur per week te verrichten, maar desondanks in staat is tot het verrichten van gangbare arbeid waarvan het daaraan verbonden mediane uurloon het geïndexeerde uurloon van een caissière overtreft.

Tussen partijen is enkel in geschil de omvang van de maatgevende arbeid voor de toepassing van de WAO.

Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij in januari 1996 als supermarktcaissière voor 20 uur per week heeft hervat. Haar arbeidsovereenkomst, gebaseerd op een 32-urige werkweek, werd niet gewijzigd. Ook de betaling van haar salaris werd niet verminderd. De inspanningen van haar werkgeefster en appellante waren gericht op de uitbreiding van haar arbeidsuren, maar dat plan is door de nieuwe ziekmelding niet meer uitgevoerd.

Deze lezing van de feiten is niet in strijd met de overige beschikbare gegevens. Mede in aanmerking genomen de moeilijke bewijspositie waarin appellante door de aan het Uwv toe te rekenen lange tijdsduur is gekomen, gaat de Raad uit van de juistheid van die lezing.

Daaruit volgt dat voor bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid, anders dan het Uwv heeft aangenomen, er van moet worden uitgegaan dat de maatgevende arbeid in een omvang van 32 uren per week werd verricht. In het bestreden besluit is het Uwv dus van de verkeerde feiten uitgegaan.

Bij een beoordeling van de overige beroepsgronden heeft appellante, gezien de voorgaande overwegingen, geen belang meer.

De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Het inleidend beroep zal de Raad gegrond verklaren en hij zal het bestreden besluit vernietigen. Het Uwv dient een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak.

Appellante heeft gevraagd om het Uwv te veroordelen tot betaling van wettelijke rente. Hierover kan de Raad nu geen beslissing nemen, omdat niet valt te overzien of alsnog aan appellante een WAO-uitkering zal worden toegekend én nabetaald. Het Uwv zal in zijn nadere besluit een beslissing over deze schadevordering moeten nemen.

De Raad zal het Uwv veroordelen in de gedingkosten van appellante wegens de haar verleende rechtsbijstand, begroot op € 644,- voor het beroep en € 644,- voor het hoger beroep alsmede de reiskosten tot een bedrag van € 40,60.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van deze uitspraak andermaal een beslissing neemt op het bezwaar van appellante;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de gedingkosten tot € 1328,60, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht totaal € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2008.

(get.) D.J. van der Vos

(get.) W.R. de Vries.

RJB