Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
06-6410 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering. Herhaalde aanvraag. Rechtmatig verblijf. Verkregen verblijfsvergunning is nieuw feit of bijzondere omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 125
RSV 2008, 140

Uitspraak

06/6410 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 september 2006, 06/1257

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad

(hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door A. Creton. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Arnold, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 6 december 2002 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 22 april 2003 is de bijstand met ingang van 1 april 2003 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant niet over een geldig verblijfsdocument beschikt.

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2003 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.

Vervolgens heeft appellant op 4 augustus 2003 en op 6 november 2003 een aanvraag om bijstand ingevolge de Abw ingediend, welke aanvragen bij besluiten van respectievelijk 11 augustus 2003 en 4 december 2003 zijn afgewezen op de grond dat uit de gegevens van de Gemeentelijke basisadministratie is gebleken dat appellant ingevolge artikel 7 van de Abw niet behoort tot de kring van rechthebbenden op bijstand. Tegen deze besluiten heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 november 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan appellant een verblijfsvergunning verleend voor de periode van 8 maart 2000 tot 8 maart 2005.

Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het College aan appellant met ingang van

16 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend.

Bij brief van 30 maart 2005 heeft appellant aan het College verzocht terug te komen van de besluiten van 22 april 2003, 11 augustus 2003 en 4 december 2003.

Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2005 dat was gericht tegen de ingangsdatum van de bijstand en waarmee werd beoogd dat appellant met terugwerkende kracht over de periode van 1 april 2003 tot 16 december 2004 alsnog voor bijstand in aanmerking zou komen, ongegrond verklaard.

De besluitvorming berust op de grond dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en dat

er in het geval van appellant geen aanleiding is van dit beginsel af te wijken. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.

Bij brief van 18 oktober 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek van 30 maart 2005.

Bij besluit van 14 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek van 30 maart 2005 ongegrond verklaard op de grond dat het College geen inhoudelijk besluit op dat verzoek hoeft te nemen, omdat op het verzoek reeds is beslist met het besluit op bezwaar van 3 mei 2005.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

14 december 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of het College bij het besluit van 14 december 2005 terecht heeft geweigerd inhoudelijk te beslissen op het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek van appellant van

30 maart 2005 om terug te komen van enige eerder door het College genomen besluiten.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. De Raad is van oordeel dat het College in het besluit van 14 december 2005 heeft miskend dat appellant met betrekking tot de besluiten van 22 april 2003, 11 augustus 2003 en 4 december 2003 een verzoek heeft gedaan om op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van die besluiten terug te komen, terwijl in het besluit van 3 mei 2005 uitsluitend is beoordeeld of er in afwijking van de artikelen 43 en 44 van de WWB aanleiding was om de bijstand op eerder tijdstip te doen ingaan dan de datum van aanvraag. De omstandigheid dat het College bij het besluit van 3 mei 2005 in dat kader reeds inhoudelijk heeft beoordeeld of appellant op grond van bijzondere omstandigheden met terugwerkende kracht over de periode van 1 april 2003 tot 16 december 2004 voor bijstand in aanmerking komt, kan niet afdoen aan de verplichting om op het verzoek om herziening een inhoudelijk besluit te nemen. Anders dan het College is de Raad van oordeel dat het besluit van 3 mei 2005 niet tevens een besluit op het verzoek om terug te komen van eerdere besluiten bevat.

De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 14 december 2005 wegens strijd met de wet vernietigen. De Raad zal het College opdragen een nieuw inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek van 30 maart 2005. Met het oog op nadere besluitvorming merkt de Raad op dat het besluit van 29 november 2004 waarbij aan appellant een verblijfsvergunning is verleend als een novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb dient te worden beschouwd.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep voor verleende rechtsbijstand en op

€ 14,70 in hoger beroep voor reiskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 december 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 658,70 te betalen door de gemeente Zaanstad;

Bepaalt dat de gemeente Zaanstad aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en

J.M.A. van der Kolk-Severijns en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op

25 maart 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

AR270208