Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
06-2055 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde beperkingen. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2055 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 februari 2006, 05/2099 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Appellante is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De verzekeringsarts W.R. van Oostendorp heeft appellante op 13 september 2004 onderzocht in het kader van een periodieke herbeoordeling. Deze verzekeringsarts heeft de door hem vastgestelde beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 oktober 2004. Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige

R. van Kessel functies geselecteerd die appellante zou kunnen verrichten en op basis daarvan een mate van arbeidsongeschiktheid van 50% berekend. Bij besluit van

4 januari 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van

1 februari 2005 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 22 juni 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, met beslissingen over vergoeding van het griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft overwogen dat, nu appellante heeft aangegeven dat in de FML voldoende rekening is gehouden met haar beperkingen, wat betreft de belastbaarheid van appellante uit dient te worden gegaan van de FML van 1 oktober 2004. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv eerst in de beroepsfase de gewenst geachte motivering heeft gegeven waaruit blijkt dat appellante geschikt is voor de geduide functies. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat het Uwv de motivering van het bestreden besluit op toereikende wijze heeft aangevuld, heeft zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv appellante geschikt heeft geacht voor de functies productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (sbc-code 111172), productie-medewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en productiemedewerker industrie, samenstellen van producten (sbc-code 111180). Ten aanzien van de onder de sbc-code 272043 vallende functie afbiester dekbedden (functienummer 2272-0036-014) heeft de rechtbank niet de overtuiging gekregen dat deze functie geschikt is voor appellante. De rechtbank heeft evenwel vastgesteld dat het vervallen van dit functienummer geen gevolgen heeft voor het bestreden besluit. Ten aanzien van de overige functies heeft de rechtbank geoordeeld dat deze medisch geschikt zijn voor appellante. De rechtbank heeft in haar oordeel de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundigen M.J. van Sijl van

5 oktober 2005 en R. Stroband van 12 december 2005 betrokken. In deze rapporten is door Van Sijl en Stroband nader toegelicht dat bij de onder de sbc-code 111172 vallende functie productiemedewerker inpak kuikens (functienummer 2015-0053-015) sprake is van eenvoudige handelingen die na enige tijd routinematig kunnen worden uitgevoerd en dat bij de onder de sbc-code 272043 vallende functie afbiester dekbedden (functienummer 2272-0036-015) geen sprake is van een hoog handelingstempo. De rechtbank heeft deze nadere motiveringen toereikend geacht en acht de resterende functies geschikt voor appellante.

In hoger beroep heeft appellante zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies ongeschikt voor haar zijn.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv door middel van het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Stroband van 8 oktober 2007 ten aanzien van een aantal van de geduide functies nog een nadere toelichting gegeven op de functiebelasting. Dit heeft ertoe geleid dat het Uwv binnen de sbc-code 111172 alsnog de functie productiemedewerker inpak kuikens (functienummer 2015-0053-015) heeft laten vervallen omdat in deze functie appellantes belastbaarheid met betrekking tot het aspect tillen wordt overschreden. Met het vervallen van deze functie resteren binnen deze SBC-code echter nog zeven functies. Ten aanzien van de overige functies heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat deze onverminderd geschikt zijn.

De Raad stelt allereerst vast dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet in geding is.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad, gelet op de rapporten van bezwaararbeidsdeskundigen Van Sijl en Stroband, van oordeel dat de belasting in de resterende functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, valt binnen de belastbaarheid van appellante en dat er derhalve geen aanleiding is om te concluderen dat deze functies in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL