Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
05-6667 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering. Vastgestelde maatman. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6667 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 oktober 2005, 04/1421 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.D.M. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.S. van Minnen, kantoorgenoot van

mr. Blom. Het Uwv was vertegenwoordigd door Th. Hollander.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Op 1 mei 1999 heeft appellante een uitkering aangevraagd op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), in verband met psychische klachten waardoor zij, sinds de door haar als zelfstandige geëxploiteerde sigarenwinkel op 4 februari 1999 voor de vierde maal in zes jaren werd overvallen, niet langer in staat was haar werkzaamheden te verrichten.

Bij besluit van 1 september 2003 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante een

WAZ-uitkering toe te kennen, omdat zij, in aansluiting op de voor haar geldende wachttijd, met ingang van 3 februari 2000 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is in de zin van de WAZ.

Bij besluit van 27 oktober 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 1 september 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 27 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij als gevolg van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) volledig arbeidsongeschikt is sinds de laatste overval op haar sigarenwinkel op 4 februari 1999.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij onder meer overgelegd een brief van de huisarts R.M. Warnaar van 12 mei 2006, een brief van de behandelend psychiater

C.M. Vrijlandt van 27 maart 2006 aan de huisarts van appellante, een brief van Vrijlandt van 23 juni 2006 aan de gemachtigde van appellante en een op verzoek van appellante uitgebrachte rapportage van 12 januari 2007 van de psychiater prof. dr. W. van Tilburg.

Naar de mening van appellante is met haar psychische beperkingen geen of onvoldoende rekening gehouden zodat zij niet in staat is de werkzaamheden verbonden aan de haar voorgehouden functies te verrichten.

Voorts is ter zitting nog aangevoerd dat de maatman wat het aantal in aanmerking genomen uren betreft niet juist is vastgesteld en ten slotte dat niet voorbij mag worden gegaan aan het feit dat de primaire beslissing meer dan 3 jaar op zich heeft laten wachten.

In hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gegeven.

Voorzover uit de overgelegde rapportages al kan worden afgeleid dat de diagnose PTSS op de datum in geding aan de orde was, volgt de Raad appellante niet in haar conclusie dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen die diagnose en volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad verwijst naar hetgeen de bezwaarverzekeringsarts

G.W. Egbers daaromtrent in zijn rapportage van 7 januari 2005 heeft opgemerkt onder aantekening dat hij het daarmee eens is.

Voorts overweegt de Raad dat de grieven met betrekking tot de passendheid van de functies assemblagemedewerker (8533) en produktiemedewerker lasgroep (9019) voorbij zien aan het feit dat het Uwv deze functies niet aan de schatting ten grondslag heeft gelegd, maar aan appellante slechts als reservefuncties heeft voorgehouden.

Overigens is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige J. Langius in zijn rapportage van 1 augustus 2006 niet alleen nogmaals heeft toegelicht dat appellante met inachtneming van de vastgestelde belastbaarheid in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies – te weten die van naaister/stikster meubelbekleding (7964), wikkelaar (8535) en printplatenmonteur (8538) – te vervullen, maar ook heeft aangetoond dat die functies in de maatgevende omvang van 30 uur per week in voldoende mate aanwezig waren op de datum in geding.

De Raad volgt appellante niet in het door haar ter zitting ingenomen standpunt dat de omvang van de maatman niet op 30 maar op 27,5 uur per week moet worden vastgesteld.

De bepleite aanpassing van het aantal uren en het effect daarvan op het uurloon heeft, zoals door de gemachtigde van appellante desgevraagd is aangegeven, voor de schatting geen relevant effect, zodat de Raad aan deze grief voorbij gaat.

In aanvulling op hetgeen door de rechtbank reeds is overwogen met betrekking tot het overschrijden van de termijn voor het nemen van een primaire beslissing op de aanvraag van appellante, merkt de Raad nog op dat de consequentie die appellante daaraan verbonden wenst te zien, namelijk het toekennen van een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet tot de wettelijke mogelijkheden behoort.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en

J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM