Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
07-755 WWB + 07-757 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Appellant was nog in dienst was van zijn toenmalige werkgeefster. Hij kon zich door werkhervatting een inkomen verwerven dat de bijstandsnorm voor gehuwden te boven ging. Het optreden van de tweede secretaris van de bezwaarschriftencommissie als gemachtigde van het bestuursorgaan is niet in strijd met de goede procesorde.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:13, geldigheid: 2008-03-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/155
JWWB 2008, 175
ABkort 2008/184

Uitspraak

07/755 WWB

07/757 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 januari 2007, 06/906 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het Dagelijks Bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. N.E. van Uitert, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008. Voor appellanten is mr. Van Uitert verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.B. Visser, werkzaam bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellanten hebben op 7 oktober 2005 een aanvraag ingediend om hen met ingang van 1 september 2005 in aanmerking te brengen voor bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 17 november 2005 heeft het Dagelijks Bestuur de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft waarmee hij een inkomen kan verwerven dat gelijk is aan of hoger dan de voor appellanten toepasselijke bijstandsnorm. Ten aanzien van de periode van 1 september 2005 tot en met 6 oktober 2005 berust de afwijzing op de grond dat bijzondere omstandigheden ontbreken om aan appellanten voorafgaand aan de aanvraag bijstand te verlenen.

Bij besluit van 1 maart 2006 heeft het Dagelijks Bestuur het tegen het besluit van 17 november 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 1 maart 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe hebben zij - samengevat - aangevoerd dat de “dubbelrol” van de tweede secretaris van de bezwaarschriftencommissie uit een oogpunt van goede procesorde vragen oproept, dat appellant feitelijk niet in staat was invulling te geven aan het lopende arbeidscontract en dat de handelwijze van appellant hooguit als maatregelwaardig gedrag kan worden gekwalificeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad is allereerst met de rechtbank van oordeel dat het tevens als tweede secretaris van de bezwaarschriftencommissie fungeren van de namens het Dagelijks Bestuur in beroepszaken optredende gemachtigde uit een oogpunt van goede procesorde geen overwegende bezwaren ontmoet. Zoals toegelicht ter zitting heeft de betreffende functionaris als taak het in algemeen juridische zin ondersteunen van de bezwaarschriftencommissie en heeft deze geen stem bij het uiteindelijk aan het Dagelijks Bestuur uit te brengen advies. Dat de aanwezigheid van de, eerder in het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure bij de rechtbank namens het Dagelijks Bestuur opgetreden, gemachtigde als tweede secretaris bij de hoorzitting in bezwaar appellanten mogelijk heeft verrast en verbaasd, kan hier op zichzelf niet aan afdoen. Overigens is niet gesteld of gebleken dat de tweede secretaris een persoonlijk belang zou hebben bij het besluit van 1 maart 2006, zodat van strijd met artikel 2:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht evenmin sprake is.

De Raad overweegt voorts ten gronde dat naar zijn vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 44 van de WWB in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend of melding bij het Centrum voor werk en inkomen heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Nu van dat laatste niet is gebleken, heeft het Dagelijks Bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat appellanten reeds hierom over de periode van 1 september 2005 tot en met 6 oktober 2005 geen recht op bijstand hebben.

Voor zover de aanvraag van appellanten ziet op de periode ingaande 7 oktober 2005 overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 31, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Uit de stukken blijkt dat appellant sedert 17 januari 2005 als chauffeur werkzaam was bij [werkgeefster] tegen een bruto loon van € 1.903,20 per maand.

Met ingang van 17 augustus 2005 is de arbeidsovereenkomst verlengd tot 16 februari 2006. Eind augustus 2005 heeft appellant, die destijds in Westervoort woonde, zich ziek gemeld en - aanvankelijk tijdelijk - zijn intrek genomen bij appellante te [woonplaats]. Omdat hij zich niet aan het ziekteverzuim-reglement hield en geen gehoor gaf aan verzoeken van zijn werkgeefster om op kantoor te verschijnen, heeft deze de loonbetaling met ingang van 1 september 2005 opgeschort. Als onbetwist staat verder vast dat appellant, blijkens de rapportages van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, ingaande 26 september 2005 volledig geschikt was voor passend vervangend werk binnen het bedrijf en vanaf in ieder geval 13 oktober 2005 weer voor zijn eigen werk. Appellant heeft echter om hem moverende redenen het werk niet meer hervat. Appellant heeft uiteindelijk per 1 januari 2006 ontslag genomen.

De Raad is van oordeel dat appellant, nu hij ten tijde in geding nog in dienst was van zijn toenmalige werkgeefster en er naar objectieve medische maatstaven gemeten geen beletsel bestond om de werkzaamheden te hervatten, zich door werkhervatting een inkomen kon verwerven dat de bijstandsnorm voor gehuwden te boven ging. Dat daaraan dwingende omstandigheden in de weg zouden staan is de Raad niet kunnen blijken. De Raad merkt in dat verband nog op dat moet worden aangenomen dat appellant, gelet op het aanvankelijk vooropgezet tijdelijke karakter van zijn verblijf bij appellante, zijn woonruimte in Westervoort heeft aangehouden, zodat in de reisafstand op zichzelf geen reële belemmering voor werkhervatting kon zijn gelegen. Voor zover hij deze woonruimte kort nadien heeft opgezegd, en aldus zelf een grote reisafstand heeft gecreëerd waardoor hij naar zijn stelling voor onoverbrugbare kosten kwam te staan, moet dit ook naar het oordeel van de Raad voor zijn rekening worden gelaten. Daarbij tekent de Raad nog aan dat onder de gegeven omstandigheden van appellant kon worden gevergd dat hij via zijn werkgeefster of anderszins een oplossing voor de gerezen problemen (ter zake van reisafstand en daaraan verbonden kosten) trachtte te zoeken. Van serieuze pogingen in die richting is de Raad niet gebleken.

Gelet op het voorgaande oordeelt de Raad dat appellanten ten tijde in geding redelijkerwijs over middelen konden beschikken ter hoogte van ten minste de voor gehuwden geldende bijstandsnorm. Deze voor de toepassing van de WWB in aanmerking te nemen middelen vormden, gelet op artikel 11, eerste lid, bezien in samenhang met artikel 31, eerste lid, van de WWB, een belemmering voor bijstandsverlening, zodat de aanvraag van appellanten om bijstand terecht is afgewezen.

Aan hetgeen appellanten hebben aangevoerd ter zake van maatregelwaardig gedrag gaat de Raad voorbij aangezien een verlaging, naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 21 augustus 2007, LJN BB2800), eerst kan worden toegepast indien ambtshalve of op aanvraag een (nieuw) recht op bijstand is vastgesteld.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A.van der Kolk-Severijns en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

AR270208