Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
06-7327 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending redelijke termijn. Toekenning schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 65, geldigheid: 2008-03-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 128

Uitspraak

06/7327 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2006, 05/2276 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, met een op

27 december 2006 ontvangen beroepschrift hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Namens appellante is verschenen mr. Stoppelenburg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante en haar toenmalige echtgenoot, [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]), ontvingen vanaf 1 augustus 1985 bijstand naar de norm voor een gezin, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Met ingang van 14 mei 2001 ontvangt appellante, mede ten behoeve van haar (vijf) nog inwonende kinderen, bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van informatie van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland, wijkteam Beursstraat, heeft de Sociale Recherche Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante en [echtgenoot] verstrekte uitkering. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 juli 2001. Het College is op grond van dit rapport tot de conclusie gekomen dat [echtgenoot] inkomsten heeft gehad uit de straathandel in (nep) verdovende middelen.

Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 25 augustus 2000 tot en met 31 januari 2001 herzien (lees: ingetrokken) met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.274,05 (mede) van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante en [echtgenoot] geen recht hadden op bijstand, omdat [echtgenoot] een inkomen had gelijk aan of hoger dan de voor hen geldende bijstandsnorm, waarvan zij in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenverplichting geen mededeling hebben gedaan.

Bij besluit van 21 oktober 2003, verzonden op 24 oktober 2003, heeft het College het op 10 november 2001 ontvangen bezwaarschrift tegen het besluit van 9 oktober 2001 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2004, verzonden op 10 november 2004, heeft de rechtbank Amsterdam het op 5 december 2003 ontvangen beroep tegen het besluit van 21 oktober 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank was van oordeel dat het College zijn standpunt dat [echtgenoot] in de betreffende periode inkomsten heeft genoten uit verdovende middelen of daarop gelijkende waar onvoldoende heeft onderbouwd, nu dit standpunt uitsluitend is gebaseerd op het rapport van de Sociale Recherche Amsterdam, terwijl de processen-verbaal, opgemaakt door de regiopolitie Amsterdam/Amstelland, waarnaar in het rapport wordt verwezen ontbreken. De rechtbank heeft verder overwogen dat het College ter zitting heeft aangegeven niet langer als uitgangspunt te nemen dat appellante op de hoogte was van de inkomsten van [echtgenoot], zodat zij niet heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 2 november 2004 heeft het College de gemachtigde van appellante kennis laten nemen van de door de politie opgemaakte processen-verbaal. Bij besluit van 21 april 2005, verzonden op 22 april 2005, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2001 opnieuw ongegrond verklaard. Daarbij is de intrekking van de bijstand gebaseerd op artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw.

Bij de aangevallen uitspraak van 9 november 2006, verzonden op 10 november 2006, heeft de rechtbank - met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten - het op 13 mei 2005 ontvangen beroep tegen het besluit van 21 april 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft het besluit vernietigd omdat het College in zijn verweerschrift de motivering van het besluit heeft gewijzigd in die zin, dat het recht op bijstand in de in geding zijnde periode niet kon worden vastgesteld. Ter onderbouwing van haar oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit van 21 april 2005 in stand dienen te blijven heeft de rechtbank overwogen dat uit de bevindingen van de sociale recherche, gelezen in samenhang met de processen-verbaal van de regiopolitie, genoegzaam is gebleken dat [echtgenoot] straathandel in verdovende middelen of daarop gelijkende waar heeft gedreven en daaruit inkomsten heeft genoten. [echtgenoot] heeft van de daaruit genoten inkomsten - hoe gering ook - geen mededeling gedaan. Dat appellante niet op de hoogte was van de inkomsten maakt dit niet anders volgens de rechtbank, omdat de inlichtingenverplichting rust op beide in de gezinsbijstand begrepen partners.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 21 april 2005 in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het rapport van de sociale recherche van 9 juli 2001 steunt op processen-verbaal van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland, opgemaakt naar aanleiding van aanhoudingen van [echtgenoot] op 25 augustus 2000, 23 oktober 2000, 26 oktober 2000 en 4 januari 2001. [echtgenoot] is telkens aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 2.3 van de Algemene politieverordening van de gemeente Amsterdam.

Ter zitting bij de Raad is namens het College erkend dat geen toereikende grondslag aanwezig is voor intrekking en terugvordering van kosten van bijstand over de maanden waarin [echtgenoot] niet is aangehouden, te weten september, november en december 2000.

Met betrekking tot de maanden augustus en oktober 2000 en januari 2001 overweegt de Raad dat [echtgenoot] weliswaar is staande gehouden omdat hij mensen aansprak, maar dat

- anders dan het geval was in de uitspraak van de Raad van 5 april 2005, LJN AT4062, waarnaar de rechtbank heeft verwezen - niet is waargenomen dat [echtgenoot] daadwerkelijk handel dreef in (nep)verdovende middelen, dat bij hem deze middelen ook niet in beslag zijn genomen terwijl hij evenmin heeft bekend handel te hebben gedreven.

Het is de Raad dan ook niet gebleken dat [echtgenoot] in de in geding zijn periode (enige) inkomsten heeft genoten uit de handel in (nep)verdovende middelen in verband waarmee het recht op bijstand niet zou zijn vast te stellen, zodat er geen grond is om de rechtsgevolgen van de intrekking en terugvordering in stand te laten. Overigens verdraagt intrekking van het recht op bijstand met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw zich niet met de redenering dat het recht op bijstand (wegens schending van de inlichtingenverplichting) niet is vast te stellen.

De rechtbank heeft een en ander niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt voor zover aangevochten daarom voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet voorts aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 9 oktober 2001 te herroepen.

Ten aanzien van het verzoek van appellante om veroordeling tot schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1941, 154; 1990, 156 (EVRM), overweegt de Raad het volgende.

Vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en vijf maanden verstreken. Gelet op de vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 december 2004, LJN AR7273) moet dit als een overschrijding van die termijn worden aangemerkt. Daarbij is in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante een rechtvaardiging voor de lange duur van de procedure kan worden gevonden.

De Raad stelt vast dat van de totale termijn twee jaar en vijf maanden voor rekening komt van het bestuursorgaan. Daarmee heeft het bestuursorgaan naar het oordeel van de Raad een onaanvaardbaar lange termijn genomen om zijn besluitvorming over de bezwaren van appellante af te ronden. Op deze wijze is appellante ervan afgehouden om het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren. De Raad acht aannemelijk dat appellante als gevolg van de lange duur van de procedure daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad ziet om die reden aanleiding om de gemeente Amsterdam te veroordelen tot vergoeding van de door appellante geleden immateriële schade, welke schade de Raad vaststelt op een bedrag van € 1.500,--.

Wat het gedeelte van de totale termijn betreft dat aan rechterlijke instanties is toe te rekenen is de Raad van oordeel dat in zoverre geen onaanvaardbaar lange termijn is genomen. De Raad laat daarbij wegen dat in dit geval sprake is geweest van twee procedures in eerste aanleg en een procedure in hoger beroep.

Namens appellante is voorts verzocht om vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2001.

Ingevolge artikel III van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures, Stb. 2002, 55, blijft artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals dit luidde voor 12 maart 2002 (het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet), van toepassing, indien het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt voor die datum is genomen. Dat is hier het geval, zodat de sedertdien bestaande wettelijke voorziening inzake veroordeling tot vergoeding van kosten van bezwaar hier niet van toepassing is. Voor de door appellante gevorderde vergoeding van kosten die zij in de bezwaarfase heeft gemaakt, geldt ingevolge vaste rechtspraak van de Raad dat deze in beginsel voor rekening van de betrokkene blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding - op grond van artikel 8:73 van de Awb - in aanmerking komen. Naar het oordeel van de Raad is hier van een dergelijk bijzonder geval geen sprake. Met name valt niet in te zien dat de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd zou moeten worden dat het College tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen.

De Raad ten slotte ziet wel aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand, tot een bedrag van € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Herroept het besluit van 9 oktober 2001;

Veroordeelt de gemeente Amsterdam tot vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van € 1.500,--;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) W. Altenaar.

IJ250308