Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
05-2476 WAZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2005:AT3358, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft het Uwv zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene niet verzekerd was ingevolge de WAZ. Was op grond van Vo. 1408/71 ten tijde in geding het Nederlandse of het Duitse recht van toepassing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/166
RSV 2008, 180

Uitspraak

05/2476 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 7 april 2005, kenmerk 03/1147 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.D. Ubbink, advocaat te Enschede, tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.D. Ubbink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G.G. Schoonderbeek.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. In verband hiermee heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Vervolgens heeft de Raad bij brief van 29 november 2007 nadere vragen gesteld, waarop mr. M.D. Ubbink namens appellant bij brief van 10 december 2007 heeft gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Appellant woont in Nederland en bezit de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft van 1990 tot 1999 tezamen met een partner de groentehandel Yalcin und Kara GmbH gedreven in Duitsland. Zij exploiteerden onder meer een winkel in het Duitse Vreden. Appellant was toen verzekerd ingevolge de Duitse sociale verzekeringswetgeving voor zelfstandigen. Met ingang van 1 januari 1999 is de samenwerking met bedoelde partner beëindigd, waarna appellant een ambulante handel in groente en fruit is begonnen in Duitsland. Hij kocht zijn handelswaar in bij groothandelaren in Nederland en verkocht deze in Duitsland aan restaurants en particulieren. Daarbij maakte hij gebruik van een opslagruimte in Vreden (Duitsland). De administratie voor zijn bedrijf deed appellant, tezamen met zijn echtgenote, thuis. Ook het onderhoud aan de bedrijfsauto werd in Nederland verricht. Door de Berufsgenossenschaft für den Einzelhandel is in juni 1999 aan appellant medegedeeld dat hij vanaf 1 januari 1999 niet verzekerd is als zelfstandige krachtens de Duitse sociale verzekeringswetgeving voor zelfstandigen, omdat hij geen “stationäres Unternehmen” in Duitsland (meer) had. Aan hem is de mogelijkheid geboden een vrijwillige verzekering af te sluiten. Hij heeft zijn aanmeldingsformulier hiertoe op 8 juni 1999 ingezonden, het is op 9 juni 1999 in behandeling genomen en de verzekering is met ingang van 10 juni 1999 van kracht geworden. Op 9 juni 1999 is appellant betrokken geweest bij een auto-ongeval, dat blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid heeft veroorzaakt.

Op 6 juni 2002 heeft appellant een aanvraag tot het verkrijgen van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend. Bij besluit van 27 augustus 2002 is hem deze uitkering geweigerd. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij besluit van 13 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is aldus gemotiveerd dat appellant als zelfstandige langer dan drie maanden uitsluitend in Duitsland werkzaam is geweest en derhalve niet verzekerd was ingevolge de WAZ. Daarbij is verwezen naar artikel 2, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden WAZ. Voorts zou appellant niet onder de werkingssfeer van Verordening (EEG) 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71) vallen, aangezien hij zijn hoofdwerkzaamheden uitsluitend in Duitsland zou hebben verricht. Zelfs wanneer aangenomen zou worden dat appellant toch onder de personele werkingssfeer van de Verordening zou vallen, dan zou volgens het Uwv ingevolge artikel 13, tweede lid, sub b, van Vo. 1408/71 de Duitse wetgeving op appellant van toepassing zijn.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 januari 1997, De Jaeck, C-340/94 (RSV 95/68) is de rechtbank van oordeel dat onder werkzaamheden anders dan in loondienst de werkzaamheden dienen te worden verstaan die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de sociale verzekeringswetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan deze werkzaamheden worden uitgeoefend. De rechtbank is van oordeel dat uit het bepaalde in artikel 7, eerste lid, juncto artikel 3, eerste lid, onder a, van de WAZ volgt dat voor de WAZ als ‘werkzaamheden anders dan in loondienst’ worden beschouwd de door de zelfstandige in het bedrijfs- of beroepsleven verrichte arbeid, gericht op het verwerven van winst of inkomsten. De werkzaamheden van appellant die op Nederlands grondgebied zijn verricht, hangen weliswaar nauw samen met appellants groenten- en fruithandel in Duitsland, doch zijn naar het oordeel van de rechtbank niet, althans niet direct gericht op het verwerven van winst of inkomsten.

Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de door appellant verrichte werkzaamheden in Nederland niet direct gericht waren op het verwerven van winst of inkomsten. Hiertoe is namens appellant aangevoerd dat de werkzaamheden die hij in Nederland verrichtte, waaronder het voeren van de administratie van zijn onderneming, het onderhoud van zijn bedrijfsauto en het inkopen van de bedrijfsvoorraden, een onlosmakelijk onderdeel vormden van de in Duitsland verrichte werkzaamheden en in zoverre waren gericht op het maken van winst. Het Uwv volhardt in hoger beroep in het standpunt dat de werkzaamheden in Nederland een niet op zichzelf staand, doch ondersteunend karakter hebben en in dienst staan van de hoofdwerkzaamheden in Duitsland.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad dient in deze procedure allereerst te beoordelen of het Uwv zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet verzekerd was ingevolge de WAZ. Daartoe is in de eerste plaats van belang of op appellant op grond van Vo. 1408/71 ten tijde in geding het Nederlandse of het Duitse recht van toepassing was.

Kort samengevat is op grond van artikel 13, tweede lid, sub b, van Vo. 1408/71 Duits recht van toepassing, wanneer een persoon geacht wordt uitsluitend in Duitsland als zelfstandige werkzaam te zijn geweest, zelfs wanneer hij in Nederland woonachtig zou zijn. Artikel 14 bis, tweede lid, van Vo. 1408/71 luidt als volgt: “Op degene die gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, is de wetgeving van de lidstaat van toepassing op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van die lidstaat uitoefent. Indien hij geen werkzaamheden uitoefent op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont, is de wetgeving van de lidstaat van toepassing op het grondgebied waarvan hij zijn hoofdwerkzaamheden verricht.”

De Raad stelt vast dat appellant in ieder geval een deel van de werkzaamheden in het kader van zijn ambulante handel in groente en fruit heeft verricht in Nederland, nu hij hier te lande diverse uren per week bezig was met de inkoop van goederen, met zijn administratie en het onderhoud van zijn bedrijfsauto. Nu appellant voorts een belangrijk deel van zijn werkzaamheden in Duitsland verrichtte volgt uit artikel 14 bis, tweede lid, van Vo. 1408/71 dat de Nederlandse wetgeving op appellant van toepassing was in juni 1999. Daarbij merkt de Raad op dat hij het Uwv niet kan volgen in diens stelling dat de Nederlandse wetgeving niet van toepassing is wanneer de werkzaamheden (slechts) een afhankelijk en ondersteunend karakter hebben. De Raad stelt vast dat in Vo. 1408/71 de term “een deel van de werkzaamheden” gebruikt wordt en dat hieraan in Vo. 1408/71 zelf geen kwalitatieve invulling is gegeven. De term hoofdwerkzaamheden is in artikel 14 bis, tweede lid, van Vo. 1408/71 uitsluitend van toepassing wanneer in de woonstaat geen werkzaamheden zijn verricht, hetgeen in dit geval niet aan de orde is. Artikel 14 bis, tweede lid, van Vo. 1408/71 vormt in beginsel derhalve een voldoende grondslag voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht in de onderhavige situatie. Het standpunt van het Uwv dat voor toepassing van artikel 14 bis, tweede lid, van Vo. 1408/71 vereist is dat het deel van de in Nederland verrichte werkzaamheden een zelfstandig winstoogmerk dient hebben, vindt geen steun in het recht. Daarbij merkt de Raad nog op dat voor een bedrijf als door appellant gedreven de in Nederland verrichte activiteiten, zijnde de inkoop van onder meer groenten en fruit, uitermate wezenlijk zijn om winst te kunnen maken.

De Raad concludeert dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad ziet gelet op het voorgaande aanleiding het Uwv te veroordelen tot betaling van de kosten die appellant in verband met het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De Raad begroot deze kosten op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant van in totaal € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 134,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.

IJ180308