Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7893

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
07-1261 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Bankrekening. Overschrijding vermogensgrens. Analfabeet. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 118
BA 2008/115

Uitspraak

07/1261 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 januari 2006, 06/230 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Bozbey, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2008. Appellante en haar gemachtigde zijn - met kennisgeving - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellante is met ingang van 28 augustus 1998 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Het vermogen van appellante bij aanvang van de bijstandsverlening is daarbij vastgesteld op f 1.868,78 negatief. Vanaf 1 januari 2004 werd de bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) verleend.

Naar aanleiding van een melding van de belastingdienst dat appellante over het jaar 2003 rente heeft ontvangen over gelden op een tweetal bankrekeningen die niet bekend waren bij het College, is door de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 29 april 2005.

De resultaten van dat onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 10 mei 2005 de bijstand van appellante over de periode van 1 december 1999 tot en met 30 november 2004 te herzien (lees: in te trekken) op de grond dat appellante, zonder daarvan aan het College melding te maken, heeft beschikt over een vermogen boven de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Voorts heeft het College de kosten van de verleende bijstand tot een bedrag van € 15.038,08 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 29 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het College ten onrechte artikel 17 van de WWB en niet artikel 65 van de Abw aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante door het College niet op de hoogte te stellen van het bestaan van twee op haar naam staande bankrekeningen de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan, gelet op het feit dat op die rekeningen in de periode van december 1999 tot en met oktober 2004 in totaal € 20.444,51 is gestort en de herkomst van die gelden onduidelijk is gebleven, het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 november 2005 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2005 geheel in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Schending inlichtingenverplichting

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante ten tijde hier van belang de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het College gedurende de hier van belang zijnde periode geen melding te maken van enkele op haar naam staande rekeningen en de daarop staande tegoeden. De gevorderde leeftijd van appellante, de omstandigheid dat zij op latere leeftijd naar Nederland is gekomen en analfabeet is en geen Nederlands spreekt of schrijft, brengen, anders dan appellante aanvoert, niet mee dat de schending van de inlichtingenverplichting haar niet kan worden verweten. Blijkens de gedingstukken heeft appellante een beroep kunnen doen op familieleden die wel Nederlands spreken en schrijven.

De intrekking over de periode van 1 december 1999 tot en met 12 juni 2001

Uit de gedingstukken blijkt dat op 6 december 1999 f 4.500,-- en op 3 oktober 2000 f 2.500,-- op een van de door appellante verzwegen rekeningen is gestort. Deze bedragen kunnen niet worden beschouwd als giften die met toepassing van artikel 44 van de Abw bij de vaststelling van het recht op bijstand niet in aanmerking behoeven te worden genomen. Deze bedragen dienen, zoals de gemachtigde van het College ter zitting heeft verdedigd, te worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het hier gaat om aanzienlijke bedragen en dat niet is gebleken dat deze bedragen terugbetaald moeten worden of zien op specifieke kosten. Het College heeft die bedragen toegerekend aan de maanden december 1999 en oktober 2000 en voorts gesteld dat over die maanden sprake was van inkomen hoger dan de destijds voor appellante geldende bijstandsnorm. De Raad volgt de gemachtigde van het College in dit standpunt.

Uit de gedingstukken blijkt niet van ander in aanmerking te nemen inkomen gedurende dit tijdvak. Van overschrijding van de vermogensgrens was toen nog geen sprake. Ter zitting heeft de gemachtigde van het College desgevraagd erkend dat er geen grond bestaat voor het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2005 voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de maanden januari 2000 tot en met september 2000 en van 1 november 2000 tot en met 12 juni 2001. De intrekking van het recht op bijstand over het hier aan de orde zijnde tijdvak had daarom beperkt moeten blijven tot de maanden december 1999 en oktober 2000. Het College was daartoe bevoegd op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College bij de afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen daartoe niet in redelijk zou kunnen komen.

De intrekking over de periode van 13 juni 2001 tot en met 30 november 2004

Appellante heeft niet bestreden dat gedurende de periode van 13 juni 2001 tot en met 30 november 2004 het tegoed op de door haar verzwegen rekeningen hoger was dan de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Ook de Raad gaat daarvan uit.

Appellante heeft aangevoerd dat het tegoed op deze rekeningen is ontstaan doordat zij tijdens de periode waarover zij bijstand heeft ontvangen zuinig heeft geleefd en in verband met verjaardagen en andere feestdagen giften van familieleden heeft ontvangen, waardoor zij een aanzienlijk bedrag heeft kunnen sparen. Volgens appellante mag het gespaarde bedrag op grond van artikel 52, eerste lid, aanhef onder d, van de Abw en artikel 34, tweede lid aanhef en onder c, van de WWB niet als vermogen in aanmerking worden genomen. De Raad verwerpt deze grief reeds omdat appellante haar stelling dat zij heeft gespaard niet heeft onderbouwd aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens. De Raad merkt in dit verband op dat door diverse contante opnames van en stortingen op de door appellante verzwegen rekeningen een beoordeling van de herkomst en opbouw van de tegoeden op die rekeningen niet mogelijk is.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante eind juni 2001 van de verhuurder van haar toenmalige woning een verhuiskostenvergoeding van € 3.630,24 heeft ontvangen. Appellante heeft gesteld dat zij die vergoeding slechts voor een klein deel aan haar verhuizing heeft besteed en dat zij het resterende bedrag van € 3.000,-- op een van de door haar verzwegen rekeningen heeft gestort. Daargelaten dat appellante haar stellingen niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt, volgt de Raad appellante niet in haar standpunt dat het niet aan de verhuizing bestede gedeelte van de tijdens de bijstandsperiode ontvangen verhuiskostenvergoeding bij de vaststelling van haar vermogen buiten beschouwing moet blijven. Het gaat hier om vermogen in de zin van artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw en artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat van in aanmerking te nemen schulden niet is gebleken, is de Raad van oordeel dat appellante gedurende de periode van 13 juni 2001 tot en met 30 november 2004 beschikte over een vermogen dat hoger was dan de op haar van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen, zodat appellante geen recht had op bijstand. Aangezien aan appellante ten onrechte bijstand is verleend als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over genoemde periode in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij de afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik zou kunnen maken. Dat betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van

29 november 2005, voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 13 juni 2001 tot en met 30 november 2004, zij het op onjuiste gronden, terecht in stand heeft gelaten.

De terugvordering

Uit hetgeen hiervoor over de intrekking is overwogen, vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de over de maanden december 1999 en oktober 2000 en over het tijdvak van 13 juni 2001 tot en met 30 november 2004 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. De Raad is voorts van oordeel dat het College in overeenstemming met het door de Raad niet onredelijk geachte beleid zou kunnen besluiten tot volledige terugvordering van de over die tijdvakken gemaakte kosten van bijstand. De Raad merkt in dat verband op dat hij, anders dan appellante, haar gevorderde leeftijd, de omstandigheid dat zij op latere leeftijd naar Nederland is gekomen, analfabeet is en geen Nederlands spreekt of schrijft niet aanmerkt als dringende redenen in de zin van het beleid, zodat niet op die grond van terugvordering kan worden afgezien. In die omstandigheden ziet de Raad evenmin een grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van terugvordering zou moeten afzien.

De Raad acht, gelet op de toelichting van de gemachtigde van het College ter zitting, aannemelijk dat de kosten van de ten onrechte verleende bijstand, die het College, zoals hiervoor is overwogen, zou kunnen terugvorderen, hoger zijn dan het door het College daadwerkelijk teruggevorderde bedrag van € 15.038,08. Dat betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2005 voor zover dat ziet op de terugvordering van dat bedrag terecht in stand heeft gelaten.

Slotoverwegingen

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover deze is aangevochten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2005 in stand laten voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over december 1999, oktober 2000 en de periode van 13 juni 2001 tot en met 30 november 2004 en op de terugvordering van het bedrag van € 15.038,08. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van

10 mei 2005 te herroepen voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de maanden januari 2000 tot en met september 2000 en van 1 november 2000 tot en met 12 juni 2001. Dit besluit berust immers in zoverre op een onhoudbare grond en het is niet aannemelijk dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2005 in stand blijven voor zover deze betrekking hebben op de intrekking over de maanden december 1999 en oktober 2000, op de intrekking over het tijdvak van 13 juni 2001 tot en met 30 november 2004 en op de terugvordering van de kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.038,08;

Herroept het besluit van 10 mei 2005 voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de maanden januari 2000 tot en met september 2000 en over de periode van 1 november 2000 tot en met 12 juni 2001;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.

IJ