Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
06-1717 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering toegekend aan werknemer, beroep ingesteld door werkgever. Geen onderzoek naar staken behandeling. Onzorgvuldige voorbereiding besluit.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 25, geldigheid: 2008-03-25
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 28, geldigheid: 2008-03-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 145

Uitspraak

06/1717 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te Zeeland (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 februari 2006, 05/349 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Misker, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, kantoor

’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een reactie van de bezwaarverzekeringsarts K.L. Tetelepta-Tan van 3 mei 2006 in het geding gebracht.

[ex-werknemer], hierna: de ex-werknemer, heeft desgevraagd schriftelijk meegedeeld niet als partij aan het geding te willen deelnemen. Voorts heeft hij geen toestemming gegeven om zijn medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

De Raad heeft op 15 mei 2006 in navolging van de rechtbank toepassing gegeven aan artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waardoor kennisname van de medische stukken blijft voorbehouden aan mr. Misker voornoemd.

Bij brief van 3 juli 2006 is namens appellante gereageerd op het verweerschrift van het Uwv.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008. Appellante is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreidere weergave van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

De ex-werknemer was werkzaam als productiemedewerker in het bedrijf van appellante. Op 8 september 2003 is hij voor zijn werk uitgevallen met psychische klachten.

In het kader van de beoordeling van zijn aanspraken op een uitkering

ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

is de ex-werknemer op 30 juni 2004 onderzocht door de voor het Uwv werkzame arts A.C.A. van Ierland. In zijn rapport van dezelfde datum sprak laatstgenoemde van een mat depressieve stemming met een latent agressieve ondertoon. Opvallend in het dagverhaal van de ex-werknemer was volgens Van Ierland dat het dag-nachtritme was verstoord en dat de ex-werknemer wat zijn huishoudelijke taken betreft was aangewezen op begeleiding door zijn moeder. Van Ierland sprak verder van verschraalde sociale contacten. Gezien het marginale tot disfunctioneren op persoonlijk vlak en het evident disfunctioneren op persoonlijk samenlevingsverband en sociaal niveau, achtte Van Ierland de standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden op de ex-werknemer van toepassing. Van Ierland sprak wel de verwachting uit dat het door hem beschreven beeld bij een goede begeleiding en behandeling relatief snel kon verbeteren. Hij besloot zijn rapportage met de opmerking dat er over zes maanden een zogeheten professionele herbeoordeling zou plaatsvinden. In overeenstemming met het vorenstaande heeft het Uwv bij besluit van 16 augustus 2004 aan de ex-werknemer met ingang van

6 september 2004, in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd, een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Uitsluitend appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 augustus 2004. Daarbij is met name aangevoerd dat de primaire beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid is tot stand gekomen, nu de primaire verzekeringsarts ten onrechte geen informatie heeft ingewonnen bij de huisarts en de psycholoog waarbij de ex-werknemer onder behandeling was.

In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts Tetelepta-Tan de belastbaarheid van de ex-werknemer opnieuw in kaart gebracht. Blijkens haar rapport van 17 januari 2005 kreeg zij de beschikking over informatie van de huisarts en van de psycholoog / psychotherapeut

J. Bekkers. Laatstgenoemde berichtte in zijn brief van 29 december 2004 dat de psychotherapie, waarvoor de huisarts de ex-werknemer op 12 februari 2004 naar hem had verwezen, aanvankelijk goed liep. Bekkers gaf echter ook aan dat de therapie na een de ex-werknemer in augustus of september 2004 overkomen ongeluk was stil komen liggen en dat de ex-werknemer (nadien) niet meer was geweest, hoewel dat in de visie van Bekkers nog wel degelijk nodig was. Volgens Tetelepta-Tan toonde de in bezwaar (alsnog) ingewonnen informatie aan dat de ex-werknemer vóór 28 april 2004 (lees:

12 februari 2004) niet bekend was bij de huidige (en de vorige) huisarts met identieke (depressieve) klachten. Bedoelde informatie vermeldde voordien slechts een tweetal éénmalige consulten in 1998 en 2003 voor fysieke ziekten, aldus Tetelepta-Tan, die al met al geen medische argumenten zag om af te wijken van het oordeel van Van Ierland. Daarop verklaarde het Uwv bij besluit van 18 januari 2005, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 augustus 2004 ongegrond.

Appellante heeft in beroep, onder herhaling van de in bezwaar aangevoerde gronden, de juistheid van het bestreden besluit betwist. Daarbij heeft zij in het bijzonder gewezen op een in het kader van de beoordeling van de aanspraken van de ex-werknemer op een uitkering ingevolge de Ziektewet opgestelde medische rapportage van 2 februari 2004, waaruit zou blijken dat het herstelgedrag van de ex-werknemer te wensen over zou laten. Appellante heeft voorts gewezen op de eerdergenoemde brief van de psycholoog / psychotherapeut Bekkers van 29 december 2004, waaruit volgens haar blijkt dat de ex-werknemer per einde wachttijd niet meer onder behandeling stond, ondanks dat Bekkers zulks wel nodig achtte. Appellante was van mening dat een en ander niet ten nadele van haar kon komen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep betoogd dat de huisarts over de periode vóór

28 april 2003 geen volledig beeld kon hebben van de medische situatie van de ex-werknemer. Volgens appellante was laatstgenoemde toen gedetineerd en is het onder die omstandigheden goed mogelijk dat de huisarts in deze periode niet op de hoogte is geweest van de psychische gesteldheid van de ex-werknemer. Appellante meent dat het medisch onderzoek dan ook onvoldoende zorgvuldig is geweest. Naar de mening van appellante is het bovendien duidelijk dat er bij aanvang van het dienstverband al sprake moet zijn geweest van arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat de ex-werknemer in het kader van resocialisatie bij haar in dienst is getreden en reeds binnen drie maanden voor zijn werkzaamheden is uitgevallen. Appellante heeft tot slot haar grief herhaald dat de ex-werknemer geen adequaat herstelgedrag heeft laten zien, zodat hij niet in aanmerking dient te komen voor een WAO-uitkering.

In de in rubriek I genoemde reactie van 3 mei 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts Tetelepta-Tan in grote lijnen betoogd dat de namens appellante in hoger beroep ontvouwde zienswijze (medische) onderbouwing mist en grotendeels berust op speculatie.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 25 van de WAO bepaalt, kort gezegd, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigert, indien degene die een WAO-uitkering aanvraagt of ontvangt, heeft geweigerd aan een aantal in dit artikel genoemde verplichtingen te voldoen.

In artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de WAO is bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 van de WAO indien de belanghebbende zich schuldig maakt aan gedragingen, waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende mede te werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen.

De Raad stelt voorop dat hij op zichzelf geen aanknopingspunten heeft om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. De Raad is in het bijzonder niet kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in haar opvatting dat er bij aanvang van het dienstverband van de ex-werknemer al sprake moet zijn geweest van arbeidsongeschiktheid. De Raad tekent daarbij nog aan dat, zoals de rechtbank ook heeft opgemerkt, een zich onder de stukken bevindende rapportage van de reïntegratiebegeleider van 22 oktober 2003 vermeldt dat de ex-werknemer in de tijd dat hij bij appellante heeft gewerkt zeer goed heeft gefunctioneerd, terwijl volgens diezelfde rapportage de ziekmelding appellante zelf ook hogelijk heeft verbaasd.

Ten aanzien van de grief van appellante dat de ex-werknemer geen adequaat herstelgedrag heeft laten zien, overweegt de Raad evenwel als volgt. De Raad stelt vast dat het Uwv in de bezwaarfase kennis heeft gekregen van de omstandigheid dat de ex-werknemer in augustus of september 2004 – derhalve rond de datum in geding – de behandeling bij de eerdergenoemde psycholoog / psychotherapeut Bekkers heeft gestaakt. Naar het oordeel van de Raad had het Uwv hierin aanleiding behoren te vinden (nader) onderzoek te verrichten naar de vraag of het al dan niet toepassing moest geven aan het bepaalde in artikel 28, aanhef en onder c, van de WAO. Nu dit niet is gebeurd is het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad – zeker nu zich hier de situatie voordoet dat ook een derde, in dit geval appellante, belang heeft bij de beslissing over de WAO-uitkering – op een onzorgvuldige wijze voorbereid en ontbeert het dientengevolge tevens een draagkrachtige motivering.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd.

Schade

Appellante heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant van appellante. Uit het hiervoor overwogene blijkt evenwel dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van (onder meer) gebreken in de totstandkoming ervan en dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit op bezwaar zal gaan luiden, ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre het aangewezen is om schade te vergoeden.

Proceskosten

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

Kosten bezwaarprocedure

In het bezwaarschrift van appellante is verzocht om op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb een vergoeding toe te kennen voor de kosten die in de bezwaarprocedure zijn gemaakt. In het bestreden besluit is dit verzoek afgewezen. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om alsnog over te gaan tot het vergoeden van de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 695,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) C.W.J. Schoor

(get.) I.R.A. van Raaij

MK