Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
07/107 WWB, 07/1783 WWB, 07/3958 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zijn de gedragingen waarvoor maatregelen tot verlaging bijstandsuitkering zijn opgelegd juist gekwalificeerd, gezien de categorie indeling in de Afstemmingsverordening?

Wetsverwijzingen
Participatiewet 18, geldigheid: 2008-03-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/107 WWB

07/1783 WWB

07/3958 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 24 november 2006, 06/2679, en 18 juni 2007, 06/4927 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 24 november 2006.

Mr. M.H. Steenbergen, advocaat te Roosendaal, heeft de gronden van het hoger beroep uiteengezet. Voorts heeft mr. Steenbergen namens appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 18 juni 2007.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Steenbergen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S.N. Berman, werkzaam bij de gemeente Roosendaal.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, geboren op 21 oktober 1967, heeft nooit aan het arbeidsproces deelgenomen, behoudens in de periode waarin hij zijn militaire dienstplicht heeft vervuld. Nadat hem gedurende een bepaalde periode de bijstand geheel was geweigerd, ontvangt hij sedert 2002 weer bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Nadat een aan het re-integratiebureau “Frame B.V.” te Breda verbonden psycholoog had geconcludeerd dat appellant een sociale fobie heeft, is in een re-integratieplan dat door appellant op 11 augustus 2004 voor “gezien” is getekend en dat tot 1 augustus 2005 gold, vastgelegd dat appellant via zijn huisarts voor zijn fobie hulp zoekt. Vervolgens hebben in januari en februari 2005 een aan Reaned verbonden arts respectievelijk arbeidsdeskundige een onderzoek ingesteld naar de arbeidsmogelijkheden van appellant. De conclusie was dat appellant eerst voor zijn angststoornis moet worden behandeld alvorens hij naar passend werk kan worden bemiddeld.

Bij besluit van 22 september 2005 heeft het College appellant een nieuw re-integratieplan toegezonden dat op 15 augustus 2005 is ingegaan en waarin appellant opnieuw de verplichting is opgelegd om via zijn huisarts hulp te zoeken voor zijn sociale fobie. Daaraan is de waarschuwing verbonden dat een maatregel zal worden opgelegd indien appellant niet vóór

1 november 2005 een bewijsstuk (bij voorbeeld een brief van een behandelaar) overlegt waaruit blijkt dat hij de opgelegde verplichting is nagekomen.

Omdat appellant niet vóór 1 november 2005 een bewijsstuk heeft overgelegd waaruit bleek dat hij zich onder behandeling had gesteld, heeft het College bij besluit van 11 november 2005 de bijstand van appellant over de periode van 1 december 2005 tot 1 januari 2006 met 30% verlaagd. Appellant is voorts de verplichting opgelegd om vóór 15 december 2005 een bewijsstuk van behandeling over te leggen.

Aangezien appellant ook niet aan deze verplichting had voldaan, heeft het College bij besluit van 19 december 2005 de bijstand over de periode van 1 januari 2006 tot 1 februari 2006 met 40% verlaagd. Verder is appellant er in dat besluit op gewezen dat de verplichting om zich onder behandeling te stellen van kracht blijft en dat hij vóór 15 januari 2006 een bewijsstuk ter zake moet overleggen.

Omdat appellant ook vóór 15 januari 2006 geen bewijsstuk van behandeling heeft overgelegd, heeft het College bij besluit van 30 maart 2006 de bijstand over de periode van 1 maart 2006 tot 1 april 2006 met 100% verlaagd.

De door appellant tegen de primaire besluiten van 11 november 2005 en 19 december 2005 gemaakte bezwaren heeft het College bij besluit van 3 april 2006 ongegrond verklaard. Het door appellant tegen het primaire besluit van 30 maart 2006 gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 17 augustus 2006 ongegrond verklaard met dien verstande dat de maatregel van verlaging van de bijstand niet ingaat per 1 maart 2006 maar per 1 april 2006.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 3 april 2006 en 17 augustus 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad is in de eerste plaats met de rechtbank van oordeel dat appellant niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 22 september 2005. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel hebben geleid volledig en maakt deze tot de zijne. Hetgeen appellant in dit verband naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan waartoe de rechtbank is gekomen. Dit betekent dat het besluit van 22 september 2005 in rechte onaantastbaar is en dat de grieven die appellant in het kader van de onderhavige procedures tegen dat besluit naar voren heeft gebracht onbesproken moeten blijven.

Met betrekking tot de verlagingen van de bijstand van appellant overweegt de Raad voorts het volgende.

Ingevolge artikel 55 van de WWB kan het College, naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het College verbonden worden, verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is in dit geval de door de raad van de gemeente Roosendaal vastgestelde Afstemmings- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2004 (hierna: Afstemmingsverordening).

In artikel 15 van de Afstemmingsverordening is bepaald dat indien belanghebbende blijk heeft gegeven van verwijtbaar gedrag wat niet nader is geregeld in de artikelen 10 tot en met 14 van de verordening, met inachtneming van artikel 18 van de wet een maatregel wordt opgelegd die wordt afgestemd op de omstandigheden van het individuele geval.

Vaststaat dat appellant ten tijde van belang met toepassing van artikel 55 van de WWB de verplichting was opgelegd via zijn huisarts hulp te zoeken voor de behandeling van zijn sociale fobie, die verplichting niet is nagekomen en, nadat hem bij de besluiten van respectievelijk 11 november 2005 en 19 december 2005 de gelegenheid was geboden om alsnog aan zijn verplichting te voldoen, in zijn weigerachtige houding heeft volhard.

Van dit niet nakomen kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was om overeenkomstig de Afstemmingsverordening de bijstand van appellant te verlagen.

Het College heeft appellant met toepassing van artikel 15 van de Afstemmingsverordening de bovenvermelde maatregelen opgelegd en voor de bepaling van de omvang van de maatregelen aansluiting gezocht bij de zogenaamde derde categorie, genoemd in artikel 10 van de Afstemmingsverordening. Het College is van opvatting dat appellant door niet via zijn huisarts hulp voor zijn sociale fobie te zoeken, zich schuldig heeft gemaakt aan een gedraging die de inschakeling in de arbeid belemmert. Ingevolge artikel 11 van de Afstemmingsverordening is de maatregel voor de eerste verwijtbare gedraging vastgesteld op een verlaging van 30% van de bijstandsnorm over de maand december 2005, voor de tweede verwijtbare gedraging op een verlaging van 40% over de maand januari 2006 en voor de derde gedraging op een verlaging van 100% over de maand april 2006.

De Raad stelt voorop dat hij met het College en de rechtbank van oordeel is dat in het geval van appellant sprake is van recidive als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Afstemmingsverordening. Aan appellant is, uitgaande van de verplichting om zich via zijn huisarts onder behandeling voor zijn sociale fobie te stellen, bij de opvolgende besluiten de gelegenheid geboden om dat (alsnog) te doen maar hij heeft van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt en in zijn weigerachtige houding volhard. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet kan worden gezegd dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan slechts één maatregelwaardige gedraging waarvoor slechts eenmaal een sanctie kan worden opgelegd.

De Raad is evenwel van oordeel, gelet op de stukken en mede in aanmerking genomen dat appellant nooit aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, dat de - voortdurende ongewijzigde - opstelling van appellant een gedraging van de tweede categorie het meest benadert, te weten: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, waaronder ook wordt verstaan een onderzoek naar de mogelijkheden tot verkrijging van gesubsidieerd werk of sociale activering als (eerste) opstap naar arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Afstemmingsverordening is voor een gedraging van de tweede categorie een standaardsanctie voorgeschreven van verlaging van de bijstand met 20% gedurende een maand.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is gegeven dat het College de gedragingen van appellant ten onrechte heeft gekwalificeerd als gedragingen van de derde categorie als bedoeld in artikel 10 van de Afstemmingsverordening, te weten: gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren.

De besluiten van 3 april 2006 en 17 augustus 2006 komen dan ook wegens strijd met de Afstemmingsverordening en met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraken waarbij het voorgaande niet is onderkend, dienen te worden vernietigd.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Zoals hiervoor al is overwogen ziet de Raad in de gedingstukken geen aanknopingspunten op grond waarvan kan worden gezegd dat ter zake van de appellant verweten gedragingen elke vorm van verwijtbaarheid bij appellant ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB en de Afstemmingsverordening maatregelen moeten worden opgelegd. Van dringende redenen om hiervan af te zien als bedoeld in artikel 6 van de Afstemmingsverordening is de Raad niet gebleken.

Ter zake van de eerste gedraging dient overeenkomstig de Afstemmingsverordening met ingang van 1 december 2005 een verlaging van de bijstand met 20% gedurende een maand te worden opgelegd.

Ter zake van de tweede gedraging wordt, nu sprake is van recidive als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Afstemmingsverordening, met ingang van 1 januari 2006 een verlaging van 30% gedurende een maand opgelegd, terwijl ter zake van de derde gedraging met ingang van 1 april 2006 een verlaging van 40% gedurende een maand moeten worden opgelegd.

Slotoverwegingen.

Appellant heeft verzocht om het College met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen in de door hem geleden schade. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat het College ten onrechte de maatregelen heeft opgelegd waartoe bij de primaire besluiten is besloten en die zijn gehandhaafd bij de besluiten van 3 april 2006 en 17 augustus 2006. Daarmee is de onrechtmatigheid van die besluiten gegeven. Als gevolg van deze besluiten is aan appellant over de maanden december 2005, januari 2006 en april 2006 een te laag bedrag aan bijstand uitbetaald. Ingevolge het met ingang van 1 januari 2004 in werking getreden artikel 45, eerste lid, van de WWB wordt de bijstand per kalendermaand vastgesteld en betaald. Daarmee is de dag van betaling niet concreet aangeduid. Nu er geen algemeen verbindende voorschiften gelden met betrekking tot de dag waarop de bijstand had moeten zijn betaald, neemt de Raad omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing tot uitgangspunt dat het juiste bedrag aan periodieke bijstand had moeten zijn betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarop die bijstand betrekking heeft. In dit geval is de bijstand over de hierboven genoemde maanden niet correct uitbetaald. Dit betekent dat de eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering over deze maanden wettelijke rente is verschuldigd, dient te worden gesteld op 1 februari 2006,

1 maart 2006 respectievelijk 1 juni 2006 en wel tot de dag van algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 966,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 44,60 voor reiskosten in beroep en in hoger beroep van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de besluiten van 3 april 2006 en 17 augustus 2006;

Legt aan appellant met ingang van 1 december 2005 een maatregel op in de vorm van verlaging van de bijstand met 20% gedurende een maand;

Legt aan appellant met ingang van 1 januari 2006 een maatregel op in de vorm van verlaging van de bijstand met 30% gedurende een maand;

Legt aan appellant met ingang van 1 april 2006 een maatregel op in de vorm van verlaging van de bijstand met 40% gedurende een maand;

Veroordeelt de gemeente Roosendaal tot schadevergoeding zoals in rubriek II van deze uitspraak is aangegeven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.010,60, te betalen door de gemeente Roosendaal aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Roosendaal aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 287,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

IJ