Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
06-3945 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Afdoende motivering eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3945 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 mei 2006, 05/1171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Misker, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft nog een verzekeringsgeneeskundig alsmede een arbeidskundig rapport ingezonden.

Appellante heeft een verzekeringsgeneeskundig rapport alsmede nadere medische stukken overgelegd.

In reactie heeft het Uwv een bezwaarverzekeringsgeneeskundig en bezwaararbeidskundig rapport toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2008. Appellante is, zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vastgesteld. Hier volstaat hij met het volgende.

Appellante, laatstelijk werkzaam als receptioniste/management assistente gedurende 40 uur per week, is op 29 maart 2000 uitgevallen met rechterarm- en handklachten. Met ingang van 28 maart 2001 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een herbeoordeling heeft verzekeringsarts B.G.M. Simons appellante onderzocht. Naar aanleiding van de aangegeven pijnklachten in de rechterschouder en -arm, alsmede in de nek, rug en het rechterbeen heeft deze verzekeringsarts nadere informatie ingewonnen bij anaesthesioloog P.C. de Jong. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft Simons aangegeven dat een oorzaak van haar klachten moeilijk is te geven maar dat mogelijk sprake is van posttraumatische dystrofie. Vervolgens heeft hij een aantal medische beperkingen vastgesteld die zijn opgenomen in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Met inachtneming van de FML heeft de arbeidsdeskundige, G.J.M. Heemels, functies geselecteerd, waarmee appellante een zodanig inkomen kan verdienen waardoor haar verlies aan verdiencapaciteit door de arbeidsdeskundige is berekend op 31,12%.

Bij besluit van 4 maart 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante per 5 mei 2005 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

In bezwaar is aangevoerd dat de beperkingen van appellante zoals vastgesteld in de FML zijn onderschat. Aangegeven is dat appellante vanwege haar pijnklachten niet in staat is gedurende 40 uur per week te werken, aangezien zij drie keer in de week de fysiotherapeut dient te bezoeken waarna zij vervolgens moet rusten. Hierdoor kan zij niet voltijds werkzaam zijn. Verder is aangevoerd dat bij appellante dystrofie is gediagnosticeerd en dat zij hierdoor meer beperkt is ten aanzien van reiken, buigen, zitten en boven schouderhoogte werken. In verband met het bovenstaande acht appellante zich niet in staat de geduide functies te verrichten.

Naar aanleiding van het tegen dat besluit ingestelde bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp een onderzoek ingesteld. Daarbij is hij tot de conclusie gekomen dat door de primaire verzekeringsarts een volledig en zorgvuldig onderzoek is ingesteld en dat het door verzekeringsarts Simons aangenomen resterend arbeidsvermogen van appellante niet voor onjuist gehouden moet worden.

De bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten heeft de geduide functies nog eens bezien en is daarbij tot de slotsom gekomen dat deze passen binnen de functionele mogelijkheden van appellante.

Daarop is het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 30 juni 2005, hierna: het bestreden besluit.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante haar eerdere grieven gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante haar grieven herhaald. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep nog medische gegevens overgelegd, namelijk een brief d.d. 5 april 2006 van anaesthesioloog De Jong, een brief d.d. 17 juli 2006 van F.J.P.M. Huygen, hoofd Pijn Behandelcentrum en een brief van verzekeringsarts

H.M.Th. Offermans.

Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling ziet de Raad evenals de rechtbank geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. De Raad stelt vast dat appellante in de primaire fase medisch is

onderzocht en dat informatie is ingewonnen bij anaesthesioloog De Jong. Op grond hiervan heeft de verzekeringsarts rekening houdend met de klachten van appellante, beperkingen vastgesteld in de FML. In bezwaar heeft vervolgens een zorgvuldige heroverweging plaatsgevonden.

De bezwaarverzekeringsarts Waasdorp is voorts uitgebreid ingegaan op elk van de in hoger beroep overlegde brieven. De Raad verwijst hiervoor naar het rapport van 7 december 2006. De Raad onderschrijft deze beschouwing van de bezwaarverzekeringsarts en is op grond hiervan van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beperkingen op de datum in geding niet juist zijn vastgesteld.

Met betrekking tot de stelling dat appellante niet in staat is voltijds te werken vanwege haar behandelingen bij de fysiotherapeut, overweegt de Raad dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde in het geding deze drie maal per week bezocht. Tevens heeft appellante niet gemotiveerd aannemelijk kunnen maken, zoals ook door het Uwv is opgemerkt, waarom deze bezoeken uitsluitend overdag zouden moeten plaatsvinden.

Voorts acht de Raad genoegzaam aannemelijk gemaakt dat, gegeven de in de FML opgenomen beperkingen, de bij de schatting betrokken functies, namelijk die van “telefonist/receptionist”, “keukenverkoper” en “reisbureaumedewerker, baliemedewerker reisbureau”, voor appellante haalbaar zijn te achten. De Raad heeft daarbij acht geslagen op het nadere door het Uwv in hoger beroep ingezonden rapport van 13 december 2006 van zijn bezwaararbeidsdeskundige Kursten. De in dit rapport opgenomen motivering, dat met de in aanmerking genomen functies de voor appellante vastgestelde belastbaarheid niet wordt overschreden, acht de Raad afdoende. Tevens heeft de Raad in aanmerking genomen het rapport d.d. 4 juni 2007 van bezwaarverzekeringsarts Waasdorp waarin hij is ingegaan op de beperkende toelichtingen in de FML en heeft gemotiveerd dat geen van de geduide functies een overschrijding laat zien van een in een toelichting opgenomen beperking. Ter zitting van de Raad is van de zijde van het Uwv nog opgemerkt dat bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten onrechte is uitgegaan van een gemaximeerde maatman van 38 uur per week. Echter, indien uitgegaan wordt van de werkelijke omvang van de maatman van appellante, zijnde 40 uur per week, leidt dit onveranderd tot indeling in de klasse 25 tot 35%.

Nu evenwel een afdoende toelichting eerst in de fase van het hoger beroep is gegeven - de Raad wijst in dit verband ook nog naar hetgeen ter zitting is opgemerkt - acht de Raad termen aanwezig het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek te vernietigen onder bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand blijven.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Voorts dient, nu de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Met betrekking tot de door appellante gemaakte kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, wordt het Uwv in deze kosten veroordeeld, begroot op € 322,-- in beroep en eveneens € 322,-- in hoger beroep.

Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding voor een verslag van een deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven strafzaken. Hieruit volgt dat een forfaitaire vergoeding geldt op basis van het aantal bestede uren, waarbij het uurtarief is vastgesteld op € 81,23.

Voor vergoeding in aanmerking komt het in hoger beroep uitgebrachte verslag van verzekeringsarts Offermans. Van deze kosten wordt forfaitair vergoed een bedrag van € 203,08, zijnde 2,5 uur à € 81,23. Tenslotte komen eveneens voor vergoeding in aanmerking de kosten die appellante heeft moeten maken voor het inwinnen van informatie bij haar behandelend specialist ad € 43,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 890,08, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL