Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
06-2278 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De voor betrokkene geselecteerde functies zijn niet in overeenstemming met zijn bekwaamheden, en de bestreden herziening van de WAO-uitkering kan niet op zijn geschiktheid voor die functies worden gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2278 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 maart 2006, 05/4206 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft K.W.A. Schouten, verbonden aan ADnet-werk te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft in 1996 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangevraagd. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij sinds februari 1992 gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in verband met rugklachten. Aan appellant is met ingang van 17 juli 1995 een AAW-uitkering toegekend. Deze is later omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en is laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 11 april 2005 herzien naar de klasse 35 tot 45%. De bezwaren van appellant tegen deze beslissing zijn door het Uwv bij besluit van 22 september 2005 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant naar het oordeel van het Uwv met voor hem in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 september 2005 opgenomen arbeidsbeperkingen in staat is de functies calculator (SBC code 515040), planner (513010), verkoopadviseur personenauto’s (517060), projectopzichter (462230) en verkoopadviseur bij een autobedrijf (317013) uit te oefenen, welke functies naar het oordeel van het Uwv in overeenstemming zijn met de opleiding en de bekwaamheden van appellant.

Namens appellant is beroep ingesteld en aangevoerd dat hij niet kan voldoen aan het voor de functies vereiste (opleidings)niveau. Hij heeft voorts aangevoerd dat de beide functies van verkoopadviseur bij een autobedrijf voor hem te zwaar zijn, gelet op de belasting bij die functies op het aspect ‘duwen’.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv het opleidingsniveau van appellant terecht op MBO-4 heeft bepaald en meent dat appellant functies op de niveaus 4 en 5 moet kunnen uitoefenen. Voorts meent de rechtbank dat door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende overtuigend is toegelicht dat appellant beschikt over de vereiste ervaring voor de functie planner, dat hij in staat moet zijn de voor de functie van calculator vereiste opleiding te voltooien en dat de belasting van de functies van verkoopadviseur binnen de belastbaarheid van appellant blijft.

Onder handhaving van al hetgeen eerder is aangevoerd, is namens appellant in hoger beroep gesteld dat de geselecteerde functies geen recht doen aan de cognitieve capaciteiten en werkervaring van appellant. De functies van verkoopadviseur personenauto’s en projectopzichter acht appellant voorts niet in overeenstemming met zijn beperkingen, de eerste in verband met het aspect duwen en trekken en de tweede in verband met de beperkingen die voortvloeien uit zijn dyslexie.

De Raad overweegt als volgt.

Het hoger beroep is niet gericht op de door de (bezwaar)verzekeringsartsen voor appellant vastgestelde arbeidsbeperkingen. De Raad neemt als uitgangspunt voor zijn beoordeling van het geding in hoger beroep de beperkingen zoals deze zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 8 september 2005. Hieruit blijkt onder meer dat appellant in verband met zijn dyslexie beperkt kan schrijven en dat aanzienlijke beperkingen in verband met zijn rugklachten zijn opgenomen.

Het door appellant bestreden besluit tot herziening van zijn WAO-uitkering is gebaseerd op het oordeel van het Uwv, dat appellant per 11 april 2005 met zijn beperkingen in staat is een 5-tal functies te verrichten. Op grond van het bepaalde in het vijfde lid van artikel 18 van de WAO dient het daarbij te gaan om algemeen geaccepteerde arbeid, waartoe appellant met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Appellant heeft in de eerste plaats bestreden dat hij beschikt over de noodzakelijke bekwaamheden om de hem voorgehouden functies te verrichten, zodat hij feitelijk niet voor die functies in aanmerking zal kunnen komen.

Uit de gedingstukken en het verhandelde tijdens de zitting, leidt de Raad af dat appellant het lager onderwijs, de opleiding LTS werktuigbouw in 1977 en de afdeling Bouwkunde van het middelbaar technisch onderwijs in 1981 met een diploma heeft afgesloten. In het kader van een reintegratietraject heeft appellant in 2002 een calculatie opleiding en een opleiding auto-cad tekenen gevolgd, maar is er niet in geslaagd de opleidingen met succes af te sluiten. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat appellant steeds uitvoerend werk heeft gedaan, vanaf 1988 met name de montage van systeemwanden, en dat werkzaamheden die meer van hem vergden dan alleen uitvoerend werk met zijn handen, voor hem te hoog gegrepen waren.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant betoogd dat het destijds behaalde MBO-4 diploma appellant niet kwalificeerde voor het HBO onderwijs, omdat dat alleen was voorbehouden aan de betere studenten, waartoe appellant zeker niet behoorde. Voorts is betoogd dat het arbeidsverleden van appellant er vooral op wijst dat hij op een lager dan MBO-4 niveau heeft gefunctioneerd en ook niet in staat is dat niveau te halen.

De Raad onderkent dat het behalen van het diploma van de 4-jarige MTS Bouw opleiding er op duidt, dat appellant kan functioneren op MBO-4 niveau, en in beginsel voor functies in aanmerking kan komen waarvoor het zogenoemde opleidingsniveau 5 is gesteld. Gelet echter op de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, is de Raad van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat appellant over dat niveau beschikt. De Raad heeft daarbij betrokken dat door de gemachtigde van appellant overtuigend is aangevoerd dat het in 1981 behaalde MTS diploma appellant niet zou hebben gekwalificeerd voor een HBO-opleiding, gelet op zijn feitelijke studieresultaten. Appellant is er bovendien recent niet in is geslaagd opleidingen met succes af te sluiten die voor hem geen probleem hadden hoeven zijn indien hij over het MBO-4 niveau zou hebben beschikt en zijn feitelijke arbeidsverleden wijst daarbij op een duidelijk lager niveau van functioneren dan past bij MBO-4. Bij zijn oordeel heeft de Raad tevens het verslag van een op 22 december 2005 verricht psychologisch onderzoek betrokken, dat door appellant in de beroepsfase in het geding is gebracht.

Voor de door het Uwv voor appellant geselecteerde functies betekent dit naar het oordeel van de Raad het volgende. De functie calculator in een schoonmaakbedrijf (SBC code 515040) heeft functieniveau 5 en vereist opleidingsniveau 5 en het vermogen om interne en externe opleidingen te volgen. De functie behelst onder meer het uitbrengen van offertes aan opdrachtgevers en het verrichten van de noodzakelijke calculatie daarvoor. De functie kent daarbij ook een bijzondere belasting op het aspect schrijven. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de Raad deze functie niet in overeenstemming met de bekwaamheden van appellant, en acht de Raad bovendien zeer aan twijfel onderhevig of appellant deze functie met zijn schrijfbeperkingen kan uitoefenen. De functie planner bij en productiebedrijf voor golfkarton en verpakkingen (513010) heeft functieniveau 4 en vereist opleidingsniveau 5. Het betreft een bureaufunctie, waarbij de dagelijkse productie van machines gepland en berekend moet worden. Er moet veel met een computer worden gewerkt. Naar het oordeel van de Raad beschikt appellant niet over de noodzakelijke bekwaamheden voor deze functie. De functie van verkoopadviseur personenauto’s bij een garage-autodealer (517060) heeft functieniveau 5 en vereist opleidingsniveau 5 en het vermogen interne bedrijfs/dealercursussen te volgen. Het gaat om de verkoop van auto’s met alles wat daarmee samenhangt, waaronder het invoeren van gegevens in een computer. Naar het oordeel van de Raad beschikt appellant niet over het vereiste opleidingsniveau en niet over het vermogen om interne opleidingen succesvol te volgen, zodat deze functie niet in overeenstemming is met zijn bekwaamheden. Hetzelfde geldt voor de met laatstgenoemde functie vergelijkbare functie van verkoopadviseur bij een autobedrijf (317013). Hoewel deze functie een lager opleidingsniveau vereist, is het ook voor die functie nodig om met succes interne cursussen te volgen. Naar het oordeel van de Raad is het tenminste twijfelachtig of appellant de bekwaamheden voor deze functie bezit. De functie van projectopzichter bij een woningcorporatie (462230) tenslotte heeft ook functieniveau 5 en vereist opleidingsniveau 5, alsmede 3 jaar ervaring in de bouwsector. Naar het oordeel van de Raad mist appellant de noodzakelijke bekwaamheden voor deze functie, ook gelet op de omschrijving van de te verrichten werkzaamheden, en kan bovendien niet worden gezegd dat hij voldoet aan de ervaringseis, nu de door appellant verrichte werkzaamheden in de bouwsector een te beperkt karakter hadden.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de voor appellant geselecteerde functies niet in overeenstemming zijn met zijn bekwaamheden, en dat de bestreden herziening van zijn WAO-uitkering niet op zijn geschiktheid voor die functies kan worden gebaseerd. Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, alsmede het besluit van 22 september 2005 onder gegrondverklaring van het beroep daartegen. Aangezien deze uitspraak tot geen andere uitkomst kan leiden dan dat appellant per 11 april 2005 wederom voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt geacht, ziet de Raad tevens aanleiding het primaire besluit van 15 februari 2005 te herroepen.

De Raad zal het Uwv overeenkomstig het verzoek van appellant veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant verschuldigde wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995,314.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant. De Raad begroot deze kosten op € 322,- in verband met verleende rechtsbijstand in beroep, alsmede € 650,- ter zake van verricht psychologisch onderzoek, en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 september 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het primaire besluit van 15 februari 2005;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering in voege als in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1616,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries. als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL