Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
06/2106 WAO, 07/1637 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering en intrekking voorschot. Telefonische hoorzitting. Geen geregistreerd verzekeringsarts. Hartritmestoornissen. Toename arbeidsongeschiktheid? Aanvang bezwaartermijn. Onzorgvuldig medisch onderzoek.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 19, geldigheid: 2008-03-25
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 71a, geldigheid: 2008-03-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2106 WAO

07/1637 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2006, 04/6255 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 1 februari 2007, 05/4297 (hierna: aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.L.J. Schilt-Thissen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift uitgebracht en heeft desgevraagd in het geding betreffende aangevallen uitspraak 1 nog een nadere toelichting verstrekt.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 17 januari 2008 in beide gedingen de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 11 februari 2008 nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft – in beide gedingen gevoegd – plaatsgevonden op 12 februari 2008.

Appellante is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde en de arbeidsdeskundige J.A.M. Houberg. Het Uwv heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als verkoopster toen zij zich op 20 augustus 2002 ziek meldde als gevolg van klachten aan de rechterarm en psychische klachten. Bij besluit van 24 juli 2003 heeft het Uwv de werkgever van appellante een verlengde loondoorbetalingsverplichting opgelegd over het tijdvak van 19 augustus tot 19 december 2003. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 7 november 2003 onderzocht door de arts D. Asfar. Deze heeft in een rapport van 12 november 2003 geconcludeerd dat appellante in staat te achten is werk te verrichten mits rekening wordt gehouden met de in de Functionele Mogelijkheden Lijst neergelegde beperkingen. Het Uwv heeft appellante op 12 december 2003 met ingang van 19 december 2003 een voorschot toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij het arbeidskundig onderzoek is na functieduiding het verlies aan verdienvermogen vastgesteld op 11,97%. Vervolgens nam het Uwv zijn besluiten van 28 januari 2004, waarbij aan appellante met ingang van 19 augustus 2003 een WAO-uitkering werd geweigerd en het aan haar verstrekte voorschot werd ingetrokken.

In de bezwaarprocedure, waarin appellante heeft gewezen op een ziekenhuisopname op 28 februari 2004 vanwege een beroerte en zij melding maakte van hartritmestoornissen sinds enige tijd, is op 5 mei 2004 een telefonische hoorzitting gehouden, waarbij niet een bezwaarverzekeringsarts aanwezig was, maar wel door de gemachtigde van appellante om een nieuw onderzoek door een dergelijke arts is gevraagd. De gemachtigde heeft vervolgens op 5 mei 2004 medische informatie betreffende de ziekenhuisopname ingebracht. Hierna heeft de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans op 17 juni 2004 op basis van alleen dossierstudie het onderzoek van Asfar onderschreven. Nader door de gemachtigde ingezonden informatie van de huisarts en van de appellante behandelend psychiater leidde Hofmans op 27 september 2004 niet tot een andere conclusie, waarna het Uwv na ook arbeidskundige heroverweging bij besluit van 28 oktober 2004

(hierna: besluit 1) de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 28 januari 2004 ongegrond verklaarde.

Appellante had op 5 mei 2004 aan het Uwv ook een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid gedaan en verzocht haar op te roepen voor een herkeuring. Blijkens een aantekening met pen van Asfar op een brief van de gemachtigde van appellante van 1 september 2004 achtte deze arts op basis van de toegezonden medische informatie geen reden aanwezig om appellante op te roepen voor een herbeoordeling omdat het om een andere ziektebeeld ging en derhalve de verkorte wachttijd op grond van de zogenoemde Wet Amber niet van toepassing was. Vervolgens weigerde het Uwv bij besluit van 11 oktober 2004 aan appellante met ingang van 29 maart 2004 een WAO-uitkering omdat geen sprake was van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor bij het einde van de wachttijd die uitkering was geweigerd.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans op 30 mei 2005, na weging van de beschikbare medische informatie en het bezwaarschrift, de conclusie van Asfar onderschreven. Kennisname van het verslag van de hoorzitting van 1 juli 2005, waarbij wederom niet een bezwaarverzekeringsarts aanwezig was, leidde de bezwaarverzekeringsarts B.C.M. Admiraal in een rapport van 10 augustus 2005 vervolgens niet tot een andere conclusie. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 12 augustus 2005 (hierna: besluit 2) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 oktober 2004 ongegrond.

De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraken 1 onderscheidenlijk 2 het beroep van appellante tegen besluit 1 respectievelijk 2 ongegrond. De rechtbank onderschreef - kort gezegd - de medische grondslag van besluit 1, waarbij zij aangaf dat de enkele omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met dossieronderzoek bij gebreke van medische informatie die noopte tot een nader onderzoek, de besluitvorming van het Uwv nog niet onzorgvuldig maakte. Ook de arbeidskundige grondslag van besluit 1 en de bij besluit 1 gehandhaafde intrekking van het voorschot ontmoette bij de rechtbank geen bedenkingen. Wat betreft besluit 2 oordeelde de rechtbank dat, hoewel de aantekening van Asfar nauwelijks als een rapport van de verzekeringsarts kon worden aangemerkt, deze onzorgvuldigheid voldoende is hersteld door de rapporten van Huijsmans en Admiraal.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante onder andere betoogd dat appellante op 7 november 2002 (lees: 2003) is onderzocht door een niet-bevoegde arts, dat niet gebleken is dat deze arts werkte onder supervisie van een bevoegde verzekeringsarts en dat dit gebrek in de bezwaarprocedure niet is hersteld nu Hofmans het niet nodig achtte appellante persoonlijk te zien of te onderzoeken. Tevens voerde de gemachtigde aan dat door de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting het einde van de wachttijd na de ziekmelding op 20 augustus 2002 met de duur van die verlenging opschoof en derhalve eerst op 19 december 2003 werd bereikt.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het Uwv weliswaar op zich met juistheid heeft besloten dat het bezwaar van appellante van 18 februari 2005 tegen het besluit van 11 oktober 2004 kon worden ontvangen, maar dat de daarvoor aangenomen verontschuldigbare termijnoverschrijding een onjuiste reden is. Immers blijkens het bezwaar en besluit 2 ontving de gemachtigde het besluit van 11 oktober 2004 eerst op 4 februari 2005 na verzending op 3 februari 2005 aan haar, zodat eerst toen de bezwaartermijn een aanvang nam.

Wat de medische grondslag van besluit 1 betreft overweegt de Raad dat het Uwv desgevraagd bij brief van 11 februari 2008 heeft meegedeeld dat Asfar op 12 november 2003, de datum van het door deze arts van zijn onderzoek opgemaakte rapport, geen geregistreerd verzekeringsarts was. Voorts heeft in de bezwaarprocedure de bezwaarverzekeringsarts appellante, ondanks haar verzoek daartoe, niet zelf onderzocht en was deze arts ook niet tegenwoordig bij de (telefonische) hoorzitting. In het licht van onder andere de uitspraak van de Raad van 18 juli 2007 (LJN BA9905) en in lijn met zijn uitspraak van bijvoorbeeld 9 oktober 2007 (LJN BB5295) moeten deze gebreken leiden tot de conclusie dat besluit 1 berust op een onzorgvuldig medisch onderzoek en daarom wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd. Het Uwv zal na medisch onderzoek van appellante door een geregistreerd verzekeringsarts een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Dit onderzoek dient zich te richten op de dag na het volmaken van de wachttijd, zoals dit door het Uwv bij het primaire besluit is bepaald op 19 augustus 2003. In de WAO en in het bijzonder artikel 19 in verbinding met artikel 71a van die wet is naar het oordeel van de Raad immers geen aanknopingspunt te vinden voor de in hoger beroep door de gemachtigde van appellante voorgebrachte stelling dat de wettelijke wachttijd ingevolge de WAO wordt verlengd met het tijdvak van verlenging door het Uwv van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever.

Gezien het vorenstaande dient ook de aangevallen uitspraak 2 te worden vernietigd. Ook besluit 2 kan in rechte geen stand houden, nu daaraan vergelijkbare gebreken kleven als hiervoor vastgesteld ten aanzien van besluit 1. Dit spreekt wat betreft besluit 2 nog te meer, nu van de zijde van appellante is betoogd dat haar hartritmestoornissen reeds eerder bestonden dan op de datum bij besluit 2 in geding. Om die reden dient ook de aangevallen uitspraak 2 te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beide beroepen en in beide hoger beroepen. Deze kosten worden begroot op € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, en op € 2,76 aan reiskosten in beroep en op € 14,86 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 2271,62. Voor een vergoeding van de door appellante redelijkerwijs gemaakte kosten in de beide bezwaarprocedures op de voet van artikel 7:15 van de Awb ziet de Raad thans geen aanleiding, nu het Uwv opnieuw op de bezwaren dient te beslissen en van herroeping van de primaire besluiten nog geen sprake is.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 gegrond en vernietigt de besluiten 1 en 2;

Bepaalt dat het Uwv nieuwe besluiten op de bezwaren van appellante neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2271,62 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 285,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL