Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
06-7214 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Woon- en leefsituatie. Niet woonachtig op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/7214 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 7 november 2006, 05/1093 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Ruiter, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koopman, werkzaam bij de gemeente Enschede.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 14 november 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van een onderzoek naar gering waterverbruik in woningen van bijstandsgerechtigden in de gemeente Enschede is gebleken dat in de woning van appellante aan de [adres 1] in de periode van november 2002 tot december 2004, in totaal slechts 4 m³ aan water is verbruikt. Dit heeft geleid tot een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader is appellante gehoord, hebben zowel in de buurt van de woning van appellante als in de omgeving van de woning van haar ex-echtgenoot M.H. [W.] (hierna: [W.]) te [plaatsnaam] (Duitsland) buurtonderzoeken plaatsgevonden en is een huisbezoek afgelegd aan het door appellante opgegeven woonadres. Voorts zijn bankafschriften van appellante opgevraagd en zijn via internet gegevens verkregen.

Naar aanleiding van voormeld onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 16 november 2004 en een proces-verbaal van 15 december 2004, heeft het College bij besluit van 30 november 2004 de bijstand met ingang van 1 november 2002 ingetrokken.

Bij besluit van 13 december 2004 heeft het College de over de periode van 1 november 2002 tot en met 31 oktober 2004 gemaakte kosten aan bijstand tot een bedrag van € 23.075,18 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 6 september 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 30 november 2004 en 13 december 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 september 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het College heeft de intrekking van de bijstand gebaseerd op de grond dat niet aannemelijk is geworden dat appellante op het door haar opgegeven adres woonachtig is, zodat appellante de inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of zij ingaande 1 november 2002 recht had op bijstand.

Met de rechtbank onderschrijft de Raad het standpunt van het College. Hierbij acht de Raad vooral het extreem lage waterverbruik in de woning van appellante van doorslaggevend belang. Een verbruik van slechts 1 m³ water in de periode van november 2002 tot november 2003 en van 3 m³ in de daaropvolgende periode van november 2003 tot december 2004 maakt het naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk dat appellante in die periodes daadwerkelijk verblijf hield op het door haar opgegeven adres. De Raad merkt daarbij op dat het gemiddelde waterverbruik van één persoon volgens waterleidingbedrijf Vitens per jaar 50 m³ bedraagt. Aan de stelling van appellante dat de watermeter niet deugde gaat de Raad voorbij, aangezien appellante, die zelf de meterstanden heeft doorgegeven aan Vitens, ter ondersteuning van haar stelling geen enkel bewijsstuk heeft aangedragen.

Verder is voor het standpunt van het College dat appellante ten tijde hier van belang niet daadwerkelijk verblijf hield op het door haar opgegeven adres, naar het oordeel van de Raad voldoende steun te vinden in de overige bevindingen van het onderzoek.

Uit de verklaringen van 12 november 2004 van de toenmalige buren van appellante moet worden afgeleid dat appellante in elk geval gedurende het grootste gedeelte van de week niet in haar woning aanwezig was. Verder heeft L. [K.] te [plaatsnaam], verhuurder van de woning van [W.], op 28 oktober 2004 verklaard dat appellante sinds ongeveer drie jaar bij [W.] in [plaatsnaam] verblijft en dat zij zich beiden tegenover hem altijd presenteren als een echtpaar. Appellante heeft zelf ook verklaard dat zij in de weekends in [plaatsnaam] verbleef. Volgens de verklaring van [W.] werd appellante door hem wekelijks op donderdag of vrijdag in Enschede opgehaald en op de daarop volgende zondag of maandag weer thuisgebracht.

Uit het naar aanleiding van het op 12 november 2004 afgelegde huisbezoek opgemaakte proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de koelkast een vervuilde indruk maakte en dat (verse) etenswaren, dranken en voorraad ontbraken. Ter verklaring heeft appellante aangegeven dat zij vaak bij haar dochter verbleef, die in [woonplaats] woonachtig is.

Uit het vorenstaande is naar het oordeel van de Raad genoegzaam gebleken dat appellante ten tijde als hier van belang feitelijk niet verbleef op het door haar opgegeven woonadres te [woonplaats], zodat zij de inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellante ten tijde in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

Gelet op het voorgaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand met ingang van 1 november 2002 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid van die bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover deze tot een te hoog bedrag is verleend. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de door hem ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte “Beleidsregels oud vorderingenbeleid WWB Enschede”. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van die beleidsregels had moeten afwijken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

IJ