Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
07-1328 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvragen. Woon- en leefsituatie. Niet meewerken aan huisbezoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1328 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2007, 07/87 en 07/683 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, hoger beroep

ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 26 februari 2008. Appellant en het College zijn, met kennisgeving, niet ter zitting verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant heeft achtereenvolgens op 1 en 21 november 2006 aanvragen om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij afzonderlijke besluiten van 12 december 2006 heeft het College deze aanvragen afgewezen.

Bij besluit van 19 januari 2007 zijn de daartegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat door gebrek aan medewerking van de zijde van appellant niet kon worden onderzocht of hij daadwerkelijk op het door hem opgegeven adres aan de [adres 1] te [plaatsnaam] woonde. Het College heeft geconcludeerd dat het recht op bijstand van appellant ten tijde in geding niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het tegen het besluit van 19 januari 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat de belanghebbende aan het college van burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college van burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs voor de uitvoering van deze wet nodig is.

Artikel 53a, tweede lid, eerste volzin, van de WWB bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

Indien de belanghebbende de inlichtingenplicht of de medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beƫindigd of worden ingetrokken.

Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is in gevallen als deze sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene over zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval zodanige grond aanwezig was.

Het College heeft op grond van de bevindingen als neergelegd in de rapportage van 1 december 2006 redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van de door appellant op het inlichtingenformulier aangegeven woon- en leefsituatie. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat ook na het gesprek in het raadhuis op 20 november 2006, waartoe appellant was uitgenodigd onder meer wegens onduidelijkheid over zijn inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie en (de inhoud van) het huurcontract, geen duidelijk inzicht is verkregen in zijn feitelijke woonsituatie. Een aansluitend, terecht noodzakelijk geacht, huisbezoek kon geen doorgang vinden omdat appellant zijn huissleutel niet bij zich had en hij later, nadat twee medewerkers van de gemeente zich volgens afspraak alvast naar het adres [adres 1] hadden begeven, telefonisch liet weten niet te kunnen aangeven wanneer hij met sleutel bij de woning kon zijn. Na de tweede aanvraag om bijstand is op 28 november 2006 wederom tevergeefs een bezoek aan het adres [adres 1] gebracht, waarbij een brief is achtergelaten met het verzoek om die dag nog contact op te nemen. Dit gebeurde eerst op 4 december 2006. Uit nader onderzoek is voorts gebleken dat de gestelde reden van afwezigheid op 28 november 2006 niet juist was aangezien het bezoek aan de huisarts een dag eerder had plaatsgevonden.

De Raad stelt vast dat appellant het door zijn handelwijze, althans door hem aan te rekenen omstandigheden, tot twee maal toe onmogelijk heeft gemaakt een - onmiddellijk - huisbezoek af te leggen. Voor een dergelijk huisbezoek bestond onder de gegeven omstandigheden ook naar het oordeel van de Raad een gerede aanleiding. De Raad heeft al meermalen uitgesproken dat bekendheid met de feitelijke woon- en leefsituatie van een aanvrager of ontvanger van bijstand voor een juiste toepassing van de WWB van wezenlijke betekenis is. Door niet de nodige inlichtingen te verstrekken of desgevraagd medewerking te verlenen in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand heeft appellant de in artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB neergelegde verplichtingen geschonden. De Raad merkt daarbij nog op dat het bij de tweede aanvraag om bijstand in beginsel aan appellant was om aan te tonen dat het recht op bijstand anders dan ten tijde van de eerste aanvraag toen wel was vast te stellen. Appellant is daarin niet geslaagd.

Gelet op het voorgaande heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellant ten tijde in geding als gevolg van deze schending niet kan worden vastgesteld. De Raad is dan ook met de voorzieningenrechter van de rechtbank van oordeel dat het besluit van 19 januari 2007, waarbij de afwijzing van beide aanvragen om bijstand is gehandhaafd, in rechte kan standhouden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordig-heid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.C. de Wit.

IJ