Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7762

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
06-2923 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Was er in de door betrokkene aangegeven periode sprake van arbeidsongeschiktheid die de wachttijd van 52 weken overschreed ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2923 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2006, 05/1414 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J.A. Vis, medewerker van DAS rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn daarbij, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren in 1953, was werkzaam als kunstschilder. In februari 1998 is hij gestart met de verkoop van zijn werken via een eigen, door tussenkomst van een stichting beheerde, galerie. Op 17 februari 2003 heeft hij het Uwv verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Bij besluit van 13 juni 2003 heeft het Uwv geweigerd die uitkering toe te kennen daarbij overwegend dat appellant op 1 juni 1996, de datum waarop de arbeidsongeschiktheid was ingetreden, niet verzekerd was voor de WAZ.

Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 9 maart 2004 ongegrond is verklaard. Het Uwv heeft daarbij het standpunt gehandhaafd dat appellant per 1 juni 1996 geen recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld, welk beroep bij uitspraak van de rechtbank van 16 augustus 2004 gegrond is verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat het Uwv ten onrechte niet heeft bezien of de gezondheidstoestand van appellant in februari 2003 reden was om hem een WAZ-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft naar aanleiding van die uitspraak vervolgens bij het thans bestreden besluit van 19 mei 2005 geconcludeerd dat appellant zowel bij de aanvang van de verzekering als ook per 17 februari 2003 belastbaar is geweest conform de Functionele MogelijkhedenLijst (FML) van 6 mei 2003.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van het Uwv gevolgd dat appellant in 2003 in dezelfde mate tot arbeid als kunstenaar in staat was als in 1998.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij bij de aanvang van zijn werkzaamheden niet gehinderd was door zijn beperkingen en dat hij vanaf 1998 in zijn levensonderhoud kon voorzien door de verkoop van kunstwerken. Volgens appellant is er sedert het einde van 2002 sprake van een verslechtering. Daarbij wijst appellant er op dat, gelet op die verslechtering en op de wettelijke wachttijd van 52 weken, de datum in geschil nooit in februari 2003 gelegen kan zijn.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad wijst er allereerst op dat uit de aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant op 17 februari 2003 niet volgt dat het Uwv kon volstaan met een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum. Uit de medische gegevens en de door appellant verstrekte informatie ten aanzien van de aanvraag blijkt immers dat er sinds 1997 sprake was van diverse perioden van ziekte die hem niet in staat stelden om zijn arbeid te verrichten. Het Uwv had derhalve dienen te beoordelen of er in die volledige door appellant aangegeven periode sprake was van een arbeidsongeschiktheid die de wettelijke wachttijd van 52 weken overschreed. Tussen partijen is niet in geschil dat de verzekering voor de WAZ een aanvang nam in februari 1998, het moment waarop appellant startte met zijn galerie. Uit de rapportage van de voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts P.M.W. Cramer van 21 maart 2005 blijkt dat het Uwv er van uit gaat dat appellant per de datum waarop hij met de galerie startte, belastbaar was voor arbeid. Vervolgens wordt in die rapportage vastgesteld dat de gezondheid van appellant weer verslechterde en dat dit in augustus 1998 leidde tot een ziekenhuisopname in Brazilië. Daarna volgde een zodanige en zo langdurige ziekenhuisopname in Nederland, dat appellant niet of marginaal belastbaar was. Dit resulteerde in de genoemde rapportage in de conclusie dat appellant in de periode van 1 augustus 1998 tot 1 januari 2000 niet duurzaam belastbaar was voor arbeid.

Naar het oordeel van de Raad voldeed appellant aldus per 1 augustus 1999 aan de voorwaarde uit artikel 7, tweede lid, van de WAZ en dat betekent derhalve dat appellant per die datum in beginsel recht had op een WAZ-uitkering. Dat appellant in die periode inkomsten heeft gehad, voortvloeiend uit de verkoop van zijn schilderijen, doet aan dat recht niet af, nu die inkomsten ingevolge artikel 58, eerste en tweede lid van de WAZ, slechts tot gevolg zouden kunnen hebben dat de uitkering niet of niet volledig werd betaald. Het bepaalde in artikel 36 van de WAZ maakt dit niet anders, nu het Uwv niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd dat appellant op grond van het daarin bepaalde zijn recht op uitkering niet geldend kan maken en evenmin heeft onderzocht of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 36 is voldaan. Het Uwv heeft voormelde uit de WAZ voortvloeiende wijze van bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de wijze van betaling van de uitkering dan ook ten onrechte achterwege gelaten.

Het hoger beroep slaagt derhalve, het bestreden besluit dient te worden vernietigd en het Uwv zal een nader besluit op de bezwaren van appellant dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht welke kosten worden bepaald op € 644,- voor de kosten van rechtsbijstand in beroep en

€ 322,-- voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv een besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 944,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E. de Bree.

JL