Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
07/1958 ZW, 07/1959 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1958 ZW en 07/1959 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek van:

[Verzoekster] (hierna: verzoekster),

om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 juli 2006 (04/1837 ZW en 04/1838 WAO)

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 juli 2006.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008.

Verzoekster is verschenen bij gemachtigde mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.G. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet, in samenhang met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Bij de uitspraak van 5 juli 2006 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2004 (03/2279 en 03/3458), waarbij het beroep van verzoekster tegen besluiten van het Uwv van 16 juli 2003 en 20 november 2003 ongegrond is verklaard, bevestigd.

Verzoekster heeft in haar verzoekschrift, met als bijlage een rapport van 29 augustus 2006 van het Instituut Psychosofia, gesteld dat de Raad in zijn uitspaak van 5 juli 2006 een aantal feiten niet heeft onderkend dan wel onjuist heeft vastgesteld en dat voormelde uitspraak van de Raad evident onjuist is.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN: AN7982) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb juncto artikel 21 van de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen, nu niet gebleken is dat namens verzoekster enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in genoemde bepaling van de Awb, naar voren is gebracht.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E. de Bree.

RJB