Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7733

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
06/1720 WAZ, 06/1721 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgaande van de juistheid van de aangenomen beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden, behorende bij de geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1720 WAZ

06/1721 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 februari 2006, 05/616 en 05/1404 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 6 februari 2008 nog een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Van de Laar en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 1 mei 2001 met psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig autoschadehersteller. Met ingang van 30 april 2002 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 17 juni 2004 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 16 augustus 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft het Uwv de over de periode van 16 augustus 2004 tot en met 30 september 2004 teveel betaalde uitkering ten bedrage van € 687,15,- bruto van appellant teruggevorderd. Ook hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 april 2005 is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 25 januari 2005 (bestreden besluit 1) en het beroep tegen het besluit van 19 april 2005 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 1 onderschreven. Met betrekking tot het bestreden besluit 2 is zij van oordeel dat het Uwv terecht tot terugvordering van het teveel betaalde bedrag is overgegaan en dat van een dringende reden om van terugvordering af te zien niet is gebleken.

Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat hij zodanig ernstige psychische problemen heeft dat hij absoluut niet kan werken, ook niet gedurende vier uur per dag. Hij ziet zich in deze opvatting gesteund door zijn behandelend psychotherapeut J. Talma. Appellant wijst er op dat hij medio 2002 gedwongen in een psychiatrische inrichting is opgenomen, dat hij volledig is vastgelopen, geen relatie meer heeft, zijn bedrijf heeft moeten sluiten, in de schuldsanering zit en wordt achtervolgd door de gemeente met alimentatievorderingen voor zijn ex-vrouw. Appellant is van 25 juli 2007 tot 27 augustus 2007 opnieuw vanwege een psychose opgenomen geweest in ziekenhuizen in Spanje en Nederland in verband waarmee hem weer een voorschot is toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel over het bestreden besluit 1 te komen dan dat van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Daar voegt hij nog het volgende aan toe.

Zoals de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie in zijn rapport van 27 april 2006 ook heeft opgemerkt zijn er in de primaire fase, na onderzoek van appellant, forse beperkingen gesteld in verband met de psychische problematiek, waaronder een urenbeperking van 4 uur per dag. In de bezwaarfase zijn de beperkingen nog eens aangescherpt. De Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de psychische beperkingen van appellant ten tijde van de in geding zijnde datum zijn onderschat. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de desgevraagd door Talma in haar brief van 5 januari 2005 gegeven informatie slechts een verwijzing naar de in 2003 toegezonden summiere informatie over appellant inhoudt en nauwelijks concrete gegevens over de gezondheidstoestand van appellant rond 16 augustus 2004 bevat. Volstaan is met de mededeling dat appellant nog niet in staat is om te werken. De door de gemachtigde van appellant toegezonden rapportage van 9 oktober 2007 van de verzekeringsarts in opleiding E. Kimpe ziet weliswaar op de situatie vanaf 25 juli 2007, de datum van acute opname van appellant in een ziekenhuis in Spanje, maar daarin wordt ook opgemerkt dat er geen harde medische gegevens voorhanden zijn die kunnen staven dat appellant vóór 25 juli 2007 slecht heeft gefunctioneerd en dat de behandelend sector hierover in een brief van 18 september 2007 ook geen uitspraak deed.

Uitgaande van de juistheid van de aangenomen beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden, behorende bij de geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. van As in zijn rapport van 24 januari 2005 voldoende inzichtelijk onderbouwd waarom de functies binnen de medische mogelijkheden van appellant liggen.

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op het bestreden besluit 2, geen afzonderlijke grieven aangevoerd. De Raad onderschrijft ook op dit onderdeel de overwegingen van de rechtbank.

Het hoger beroep slaagt dus niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL