Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7732

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
07-1464 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand kan niet worden vastgesteld door het niet meewerken aan een huisbezoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 120

Uitspraak

07/1464 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 januari 2007, 06/1301 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Saerle, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.Th.A.M. Mes, kantoorgenoot van mr. Saele voornoemd. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R. Ooievaar, werkzaam bij de gemeente Hoorn.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante heeft op 20 oktober 2005 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 15 december 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante geen volledige medewerking heeft verleend aan een af te leggen huisbezoek door enkel toegang te verschaffen tot de benedenverdieping. Aldus heeft het College het recht op bijstand niet kunnen vaststellen.

Bij besluit van 14 maart 2006 heeft het College het tegen het besluit van 15 december 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 14 maart 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat zij onenigheid had met haar casemanager, dat zij angst heeft om vreemde mensen de woning binnen te laten en dat een van de bijwerkingen van het door haar gebruikte medicijn Lyrica is dat zij onverschillig wordt ten aanzien van de consequenties van haar handelen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat de belanghebbende aan het college van burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college van burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs voor de uitvoering van deze wet nodig is.

Artikel 53a, tweede lid, eerste volzin, van de WWB bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

Indien de belanghebbende de inlichtingenplicht of de medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of worden ingetrokken.

Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is in gevallen als deze sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene over zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval zodanige grond aanwezig was.

Het College heeft op grond van de bevindingen als neergelegd in de rapportage van 13 december 2005 redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van de door appellante op het inlichtingenformulier aangegeven woon- en leefsituatie. Daarbij neemt de Raad onder meer in aanmerking dat op 17 en 21 november 2005 een viertal vergeefse pogingen zijn gedaan appellante op het door haar opgegeven woonadres Kosterstuin 121 te bezoeken, dat de woning aan de voorzijde was geblindeerd, dat op 21 november 2005 ’s ochtends de auto van de vriend voor de woning van appellante stond geparkeerd en dat een buurtbewoner verklaringen heeft afgelegd over de aanwezigheid van de vriend van appellant in de woning en de afwezigheid van de dochter van appellante. Gelet hierop en de bevindingen tijdens het gesprek op 7 december 2005 in het stadhuis, waarin zij met een en ander is geconfronteerd, bestond er voor het College een redelijke grond om in aansluiting op dat gesprek een huisbezoek af te leggen. Appellante heeft daarop - uiteindelijk - te kennen gegeven alleen toestemming te verlenen om de benedenverdieping van haar woning te betreden.

Naar het oordeel van de Raad heeft het College onder de gegeven omstandigheden van appellante kunnen verlangen dat zij medewerking verleende aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek en wel in de gehele woning. Hetgeen appellante heeft aangevoerd ter afwering van een aansluitend en volledig huisbezoek acht de Raad niet van zodanig gewicht dat daarvoor het belang van het College, om onmiddellijk de door appellante opgegeven woon- en leefsituatie te verifiëren, zou moeten wijken. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante in haar weigering heeft volhard, nadat haar was meegedeeld dat deze weigering tot gevolg kan hebben dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Gelet op het voorgaande heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de aan appellante toe te rekenen handelwijze (de omvang van) het recht op bijstand van appellante niet was vast te stellen. De aanvraag om bijstand is derhalve terecht afgewezen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.