Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
07-42 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbelaste vaste onkostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/42 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 24 november 2006, 06/319 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 14 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.H.M. Loves, werkzaam bij Berk Accountants en Belastingadviseurs te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007, waar voor appellante is verschenen mr. J.A.H. Schilderinck, werkzaam bij Berk Accountants en Belastingadviseurs. Het Uwv heeft zich - met bericht van verhindering - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop berustende regelgeving, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

In mei 2005 is bij appellante een looncontrole uitgevoerd betreffende de jaren 2000 tot en met 2004. Op basis van de resultaten van deze looncontrole, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het looncontrolerapport van 2 juni 2005, heeft het Uwv bij besluiten van 17 oktober 2005 correctienota’s opgelegd over de jaren 2000 tot en met 2004 en een premienota SV over 2005 opgelegd. De correcties hebben betrekking op de constatering van de looninspecteur dat een aantal werknemers ressorterend onder de UTA - CAO gedurende de controlejaren een onbelaste vaste onkostenvergoeding ontvangen. Deze vaste onkostenvergoedingen blijken niet naar aard en veronderstelde omvang te zijn gespecificeerd in weerwil van de met de werkgever gemaakte afspraken hieromtrent in het verleden door het Uwv en de Belastingdienst. Bij besluit van 27 januari 2006 zijn de bezwaren tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen. Tevens heeft de rechtbank het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel dat aan het opleggen van de correctienota’s in de weg zou staan, gemotiveerd verworpen. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat slechts een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, wanneer sprake is van een ondubbelzinnig opgewekt vertrouwen. Het Uwv dient een ongeclausuleerde schriftelijke toezegging te hebben gedaan. Ook geldt dat, wil uit het feit dat een looninspecteur geen bezwaar maakt tegen het ontbreken van inhoudingen een dergelijk vertrouwen kan worden afgeleid, tenminste vereist is dat de looninspecteur op de hoogte was van alle relevante feiten. Het is derhalve aan appellante om aannemelijk te maken dat de Belastingdienst begin 1997 een gedifferentieerd vast onkostenvergoedingensysteem heeft geaccordeerd, waarvan bovendien het Uwv op de hoogte was en een ondubbelzinnige ongeclausuleerde toezegging heeft gedaan de desbetreffende afspraak over te nemen. De rechtbank is van oordeel dat uit de in bezwaar en beroep overgelegde bijlagen op geen enkele wijze blijkt dat dit de beweerdelijk gemaakte afspraak met de fiscus is. Vast staat verder ook, gelet op de stellingen van partijen, dat de looninspecteur de gestelde afspraak niet onder ogen heeft gehad. Appellante kan zich dan ook niet met succes op het vertrouwensbeginsel beroepen.

In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat zij haar werknemers over de jaren 2000 tot en met 2005 een vaste onkostenvergoeding heeft toegekend en uitbetaald conform het in 1997 door de Belastingdienst geaccordeerde “gedifferentieerde vaste kostenvergoedingensysteem”, welk kostenvergoedingensysteem geldt voor alle dochtermaatschappijen van [naam beheersmaatschappij] (waartoe appellante behoort sedert 1996) en heeft dienaangaande nog een tweetal stukken overgelegd. Nu het Uwv in het looncontrolerapport van 30 augustus 2000 heeft verklaard zich te zullen conformeren aan bovengenoemde kostenvergoedingensysteem beroept appellante zich op het vertrouwensbeginsel op grond waarvan de premienota’s vernietigd dienen te worden.

Naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, stelt de Raad allereerst vast dat appellante niet bestrijdt dat zij niet kan aantonen dat de door haar verstrekte vaste onkostenvergoeding ten tijde hier in geding een vergoeding betreft voor daadwerkelijk door haar werknemers gemaakte onkosten. In geschil is slechts de vraag of het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel terecht en op goede gronden door de rechtbank is verworpen.

Hiervan uitgaande overweegt de Raad het volgende.

Met de rechtbank, op de door de rechtbank aangegeven gronden welke de Raad tot de zijne maakt, beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Bewijs van de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel ontbreekt evenzeer in de in hoger beroep overgelegde zogenoemde vaststellingsovereenkomst tussen appellante en de belastingdienst inzake naheffingsaanslag loonbelasting / premies volksverzekeringen over de jaren 2000 tot en met 2004 en in de brief van de Belastingdienst Oost van 25 maart 2003. Blijkens de toelichting op de vaststellingsovereenkomst stelt de Belastingdienst het opnieuw goedkeuren van de hoogte van de vaste kostenvergoedingen voor de werknemers van alle dochtervennootschappen van [naam beheersmaatschappij] afhankelijk van de daadwerkelijk gemaakte kosten welke gedurende een bepaald aantal maanden schriftelijk (bonnen) moeten zijn vastgelegd. Daarbij wordt verwezen naar de brief van de Belastingdienst van 25 maart 2003 waarin slechts het verzoek namens appellante d.d. 20 februari 2003 om een steekproefperiode te mogen vaststellen wordt ingewilligd en dat voorgesteld wordt de periode te laten starten vanaf 7 april 2003. Uit de inhoud van deze stukken valt zeker niet op te maken dat de Belastingdienst destijds in 1997 dan wel daarna het door appellante gehanteerde kostenvergoedingensysteem zou hebben geaccordeerd laat staan dat er sprake is van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de kant van het Uwv dat geconformeerd zou worden aan dit kostenvergoedingensysteem.

Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenregeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

GG