Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7718

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
06-1947 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Eerst in hoger beroep arbeidskundige grondslag voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1947 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 februari 2006, 05/2131 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. M.I. Jap-A-Joe Blagrove, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.

Namens appellante is een brief van haar huisarts ingezonden.

Bij brieven van 4 mei 2006 heeft mr. H. Cornelis, eveneens advocaat te Utrecht, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en heeft deze de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2008. Appellante is - zoals tevoren bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.A.M. Delfgaauw.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontving sedert 9 juni 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

In het kader van een herbeoordeling heeft verzekeringsarts Lierop bij appellante beperkingen vastgesteld in verband met psychische klachten en rug- en nekklachten en op basis daarvan een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Na arbeidskundig onderzoek en duiding van door appellante nog te verrichten functies, waarover overleg met de verzekeringsarts plaatsvond, heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 0%. Bij besluit van 7 mei 2004 is de uitkering van appellante ingetrokken per 8 juli 2004.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Vervolgens hebben stafverzekeringsarts Van Liere en bezwaarverzekeringsarts Greven rapportages opgesteld, nadat informatie was verkregen van appellantes huisarts en van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van Altrecht. Beide verzekeringsartsen hebben zich kunnen verenigen met de beperkingen, zoals door Lierop vastgelegd in de FML. Bij het bestreden besluit van 30 juni 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder gegrondverklaring van het beroep, het bestreden besluit vernietigd, doch de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – overwogen, dat het Uwv de belastbaarheid van appellante niet heeft overschat en dat appellante haar stelling dat zij verdergaand beperkt moet worden geacht dan vastgelegd in de FML onvoldoende

(met medische stukken) heeft onderbouwd. Het arbeidskundige deel van het bestreden besluit heeft de rechtbank evenwel, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad inzake het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) onvoldoende gemotiveerd geacht. De volgens die rechtspraak vereiste motivering door het Uwv heeft de rechtbank eerst aanwezig geoordeeld met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van

7 november 2005.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd – kort weergegeven – dat zij meer klachten had en heeft (waaronder gewrichtsklachten) dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, dat enkele haar geduide functies een te hoog functie/opleidingsniveau kennen en dat de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 november 2005 geen afdoende motivering bevat omdat enkele met een ‘G’ aangegeven signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante niet zijn toegelicht.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad kan zich verenigen met de overwegingen in de aangevallen uitspraak over de medische grondslag van het bestreden besluit. Het door appellante in hoger beroep overgelegde rapport van een bedrijfsarts van 13 maart 2006 en de door haar overgelegde brief van de huisarts van 24 december 2007, waarin melding wordt gemaakt van onder meer gewrichtsklachten, hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De Raad is, zulks mede onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekerings-arts van het Uwv van 29 mei 2006 en 22 januari 2008, van oordeel dat de in deze stukken aangegeven klachten van appellante niet met zich brengen dat er ernstig rekening zou moeten worden gehouden met de mogelijkheid dat deze klachten op de datum in geding zodanig structureel en ernstig waren dat de beperkingen van appellante op deze datum zijn onderschat. De Raad tekent daarbij aan, dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen voorts niet blijkt dat appellante bij hen eerder melding heeft gemaakt van de andere (gewrichts)klachten.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. Naar aanleiding van de beroepsgronden van appellante heeft het Uwv, blijkens de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundigen van 30 mei 2006 en

19 december 2007, de functie productiemedewerker, confectie (SBC-code 272042) zonder gevolgen voor de schatting, niet langer geschikt geacht om reden van het vereiste opleidingsniveau en de in de resultaat functiebeoordeling voorkomende van een ‘G’ voorziene signaleringen alsnog van een nadere toelichting voorzien. De Raad is van oordeel, dat met deze correcties en aanvullingen de arbeidskundige grondslag van het besluit in rechte stand kan houden.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

Eerst in hoger beroep heeft het Uwv naar aanleiding van de beroepsgronden van appellante de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit van een toereikende motivering voorzien. De Raad vindt hierin aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, geraamd op € 322,- terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 37,70 aan gemaakte kosten, totaal € 359,70.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 359,70, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.

GdJ