Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
07-2198 CSV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BA5709, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek uitstel hoorzitting ten onrechte afgewezen. Schade t.g.v. onrechtmatig besluit, bestaande uit door betrokkene zelf verrichte werkzaamheden in bezwaarfase. Beleid Uwv.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2, geldigheid: 2008-03-13
Algemene wet bestuursrecht 7:2, geldigheid: 2008-03-13
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 2008-03-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/171

Uitspraak

07/2198 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 maart 2007, 06-10622 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.J.P Jager, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2008. Voor appellant is verschenen mr. Jager, voornoemd. Voor het Uwv is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 18 maart 1997 is appellant op grond van artikel 16d van de per 1 januari 2006 ingetrokken Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) als feitelijke beleidsbepaler van een vennootschap hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door deze vennootschap niet betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten over het jaar 1994. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 15 juli 1997 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 1998 heeft de rechtbank het besluit van 15 juli 1997 in zoverre vernietigd, dat appellant slechts vanaf 22 maart 1994 als feitelijke beleidsbepaler kon worden aangemerkt. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 4 oktober 2001 heeft de Raad geoordeeld dat appellant niet als feitelijke beleidsbepaler van vorenbedoelde vennootschap kon worden aangemerkt en deswege ten onrechte hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de niet betaalde premies.

Bij brief van 21 november 2001 heeft appellant het Uwv verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade. Op verzoek van het Uwv heeft appellant bij brief van 9 juli 2001 een specificatie gegeven van de door hem geleden schade. De door hem geleden schade heeft appellant begroot op f 692.000,-- exclusief wettelijke rente, bestaande uit kosten advocaat, kosten accountant, eigen werkzaamheden, gederfde inkomsten, waaronder begrepen pensioenschade ten gevolge van ontslag per 1 juli 1999, immateriële schade/imagoschade ten gevolge van vernederingen, inval, opsluiting, onjuiste verificatie, onterecht ontslag, onzekerheid gedurende zes jaren en echtscheiding, alsmede porti, telefoon-, bureau- en reiskosten.

Bij besluit van 25 februari 2003 heeft het Uwv appellant een vergoeding toegekend in de kosten van rechtsbijstand in de fase van bezwaar, zulks tot een bedrag van € 1.940,69. Voor het overige heeft het Uwv het verzoek afgewezen.

Tegen het besluit van 25 februari 2003 is namens appellant bezwaar gemaakt. Bij brief van 8 juli 2003 is de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld het bezwaar mondeling toe te lichten op een op 22 juli 2003 te houden hoorzitting. Bij brief van 16 juli 2003 heeft de gemachtigde van appellant verzocht om uitstel in verband met de omstandigheid dat appellant in Spanje verblijft. Verzocht is om uitstel tot begin oktober. Telefonisch heeft het Uwv de gemachtigde van appellant laten weten dat zijn verzoek om uitstel niet wordt gehonoreerd.

Daarop heeft de gemachtigde van appellant het Uwv laten weten dat hij niet op de hoorzitting zal verschijnen. De aanwezigheid van appellant achtte hij noodzakelijk.

Wel heeft de gemachtigde van appellant het Uwv bij brief van 21 augustus 2003 een nadere specificatie doen toekomen omtrent de werkzaamheden van appellant zelf en de werkzaamheden van een door hem ingeschakeld administratiekantoor.

Bij besluit van 19 september 2003 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2003 in zoverre gegrond verklaard, dat aan appellant een schadevergoeding is toegekend van € 3.350,33, bestaande uit advocaatkosten (€ 1.880,--), accountantskosten (€ 941,44), overige kosten (€ 0,80) en wettelijke rente. Voor het overige heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 september 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv naar haar oordeel niet heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door het verzoek om uitstel van de hoorzitting niet te honoreren. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant zich liet bijstaan door een advocaat, die het standpunt van appellant nader had kunnen toelichten. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het hier een bij uitstek juridische aangelegenheid betreft.

Na te hebben vastgesteld dat niet meer in geschil zijn de advocaatkosten en de accountantskosten, heeft de rechtbank met betrekking tot de gestelde schade in verband met de eigen werkzaamheden van appellant overwogen dat, nu de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures (Stb.2002, 55) te dezen niet van toepassing is, de door appellant in bezwaar gemaakte kosten in beginsel voor zijn rekening dienen te blijven, tenzij van de aansprakelijkstelling zou moet worden gezegd dat deze dermate ernstige gebreken vertoonde dat zou moeten worden geoordeeld dat verweerder tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat naar vaste jurisprudentie bij de beoordeling van een verzoek om veroordeling tot vergoeding van geleden schade als gevolg van een vernietigd besluit zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Daarbij geldt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de aangesprokene berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van die gebeurtenis kan worden toegerekend. Dit betekent dat, wil een verzoek om schadevergoeding voor inwilliging in aanmerking komen, de gestelde schade in zodanig verband moet staan met het vernietigde besluit dat zij bet bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.

Met betrekking tot de gestelde schade bestaande uit gederfde inkomsten en pensioenschade heeft de rechtbank geoordeeld dat tussen het onrechtmatige besluit van het Uwv en de verbreking van het arbeidscontract tussen appellant en zijn werkgever het vereiste verband ontbreekt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van de werkgever van appellant van 6 februari 1999 is vermeld dat is overeengekomen dat appellant per 1 juli 1999 zijn ontslag neemt. Appellant heeft deze brief voor akkoord ondertekend. Dat zijn werkgever zich genoodzaakt zag appellant te ontslaan, zoals door hem gesteld, vindt derhalve geen steun in de stukken. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de verbreking van het arbeidscontract geen onontkoombaar en voorzienbaar gevolg was van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft het aannemelijk geacht dat het (gezamenlijke) besluit van appellant en zijn werkgever veeleer is ingegeven door de negatieve publiciteit die rondom hem ontstaan was dan door het onrechtmatige besluit. De inkomensschade als gevolg van de beëindiging van het arbeidscontract kan dan ook niet als een gevolg van dat besluit aan het Uwv worden toegerekend.

Met betrekking tot de immateriële schade heeft de rechtbank overwogen dat appellant heeft aangevoerd dat hij door de gebeurtenissen in een existentiële crisis heeft verkeerd. Hij heeft zowel zijn huis, zijn baan als zijn vrouw verloren. Daarnaast is naar zijn stelling zijn onkreukbare imago onherstelbaar beschadigd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank afgeleid dat appellant hierbij het oog heeft op gebeurtenissen, die voorafgaand aan het vernietigde besluit hebben plaatsgevonden, zoals de huiszoeking en de hechtenis. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gebeurtenissen niet aan het onrechtmatige besluit worden toegerekend. Het gaat immers om op zichzelf staande feitelijke handelingen van het Uwv en om handelen van andere bestuursorganen, zoals de Officier van Justitie en de belastingdienst. De gestelde immateriële schade kan dan ook evenmin als een gevolg van dat besluit aan het Uwv worden toegerekend.

Appellant heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in strijd met deze wetsbepaling het verzoek om uitstel van de hoorzitting niet gehonoreerd. Het moest het Uwv duidelijk zijn dat appellant niet aanwezig kon zijn in verband met zijn verblijf in Spanje. Voorts valt niet in te zien waarom een uitstel tot begin oktober 2003, waarom was verzocht, niet mogelijk zou zijn geweest. Het enkele feit dat appellant zich liet bijstaan door een advocaat maakt dit niet anders. De Raad voegt hieraan toe dat appellant zelf een toelichting had kunnen geven over de achtergronden van de verbreking van zijn arbeidscontract en over de door hem gestelde immateriële schade.

Op dit punt volgt de Raad de rechtbank dan ook niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. In het verlengde hiervan komt ook het besluit van 19 september 2003 voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht evenwel termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, en overweegt daartoe het volgende.

Met betrekking tot de door appellant gestelde schade, bestaand uit de werkzaamheden die hij zelf heeft verricht, overweegt de Raad allereerst dat het te dezen uitsluitend kan gaan om de werkzaamheden verricht in de fase van bezwaar. Omtrent de kosten van beroep en hoger beroep is beslist bij de uitspraken van de rechtbank en de Raad van 28 december 1998, onderscheidenlijk 4 oktober 2001. De door appellant begrote schade verband houdende met zijn eigen werkzaamheden, verricht voor de afgifte van de het besluit van 18 maart 1997, dient evenzeer buiten aanmerking te worden gelaten. Deze schade kan niet worden toegerekend aan dit besluit. Hiervan uitgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de kosten van bezwaar in beginsel voor rekening van betrokkene dienen te blijven tenzij er sprake is van een tegen beter weten in genomen besluit, Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hiervan geen sprake is geweest. Aan hetgeen de rechtbank heeft overwogen voegt de Raad nog toe dat het Uwv een beleid voert ter zake van gemaakte kosten in bezwaar, welk beleid is vervat in zijn Mededeling M 00.040 van 14 april 2000. Dit beleid voorziet niet in een vergoeding van zelf gemaakte kosten, indien betrokkene zich heeft voorzien van professionele rechtsbijstand. Hiervan is in het geval van appellant sprake geweest. Van bijzondere omstandigheden die het Uwv hadden moeten nopen om ten gunste van appellant van zijn beleid af te wijken, is de Raad niet gebleken.

Met betrekking tot de overige schadeposten overweegt de Raad dat de rechtbank met betrekking tot deze posten een juiste maatstaf heeft gehanteerd. Het moet gaan om aan een onrechtmatig genomen besluit toe te rekenen schade en niet om schade ten gevolge van gebeurtenissen van feitelijke aard, voorafgaande aan dat besluit.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het ontslag van appellant per 1 juli 1999 geen onontkoombaar en voorzienbaar gevolg was van de aansprakelijkstelling. Dit blijkt niet uit de door de rechtbank genoemde brief van de voormalige werkgever van appellant. Uit deze brief blijkt veeleer dat deze werkgever gelet op de regelgeving inzake assurantiebemiddeling een strafrechtelijke veroordeling van appellant voor wilde zijn. De omstandigheid dat de arbeidsverhouding pas per 1 juli 1999 is beëindigd, terwijl de aansprakelijkstelling dateert van 18 maart 1997, wijst er ook niet op dat de wens van de werkgever om deze arbeidsverhouding te beëindigen werd ingegeven door de aansprakelijkstelling op grond van artikel 16d van de CSV. Daarbij komt dat de rechtbank het besluit tot handhaving van deze aansprakelijkstelling al gedeeltelijk had vernietigd.

Met betrekking tot de gestelde immateriële schade sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Ook naar het oordeel van de Raad is deze schade, voorzover al geleden, toe te schrijven aan gebeurtenissen die zich blijkens de gedingstukken hebben voorgedaan in 1995.

De Raad acht tot slot termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 september 2003;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 137,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

RB