Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
07-311 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Geen duidelijkheid woon- en verblijfssituatie ten tijde hier in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/311 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 december 2006, 06/1630 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. van der Woude, advocaat te Zutphen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Woude. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.L.H. Deuzeman, werkzaam bij de gemeente Deventer.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 1 juni 2004 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 27 juni 2005 heeft het College de bijstand van appellant beëindigd met ingang van 1 november 2004 op de grond dat appellant, door het College niet te hebben ingelicht dat hij sinds 1 november 2004 niet langer op het door hem opgegeven adres [adres 1] te [woonplaats] verbleef, zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 mei 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad overweegt primair dat het besluit van 27 juni 2005 tot beëindiging van de bijstand per 1 november 2004 dient te worden aangemerkt als een intrekking met ingang van die datum. De door de Raad te beoordelen periode loopt in een dergelijk geval in beginsel tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Nu aan appellant echter met ingang van 5 april 2005 (weer) bijstand is toegekend, dient de Raad in dit geval te beoordelen de periode van 1 november 2004 tot 5 april 2005.

De vraag waar iemand woont, is van essentieel belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. De belanghebbende dient daarover tijdig juiste en volledige inlichtingen aan het bijstandverlenend bestuursorgaan te verstrekken.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant sinds 1 november 2004 niet langer verbleef op het door hem opgegeven adres [adres 1] te [woonplaats]. Daarbij kent de Raad betekenis toe aan de - spontaan - door kamerverhuurbedrijf ENRA Wonen op 11 november 2004 aan de Sector Sociale Voorzieningen van de gemeente Deventer gedane mededeling dat appellant vanaf 1 november 2004 niet langer feitelijk woonachtig was op genoemd adres. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat door het College aan appellant op genoemd adres gerichte post is geretourneerd met als aantekeningen op de enveloppe: “Verhuisd” en “Vertrokken”. Appellant heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Ook in hoger beroep heeft appellant niet de nodige duidelijkheid verschaft over zijn woon- en verblijfssituatie ten tijde hier in geding.

De Raad komt evenals het College en de rechtbank dan ook tot de conclusie dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat voorts als gevolg daarvan het recht van appellant op bijstand over de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het College bevoegd was de aan appellant over genoemde periode verleende bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Het College heeft in overeenstemming met zijn niet onredelijk te achten beleid besloten tot intrekking. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

IJ