Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7687

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
07/1126 NABW, 07/1127 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening van de verleende bijzondere bijstand met de algemene bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1126 NABW

07/1127 NABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 30 januari 2007, 05/1389 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met dat in de zaak met de reg. nrs. 07/1129 NABW en 07/1130 NABW, plaatsgevonden op 12 februari 2008. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Veltman, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Na de gevoegde behandeling zijn de zaken weer gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Bij twee, aan ieder van appellanten afzonderlijk gerichte besluiten van 27 november 2003 is de bijstand met ingang van 1 oktober 2003 ingetrokken. De tegen de besluiten van 27 november 2003 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 8 maart 2004, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

Ingaande 29 december 2003 is aan appellanten wederom bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend. Bij besluit van 10 maart 2004 heeft het College aan appellanten bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 2.467,23 ter zake van in de periode van oktober tot en met december 2003 ontstane schulden bij het nutsbedrijf, de woningbouwvereniging, de ziektekostenverzekeraar, het waterbedrijf en de kinderopvang.

Bij uitspraak van 10 juni 2005, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 8 maart 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij de intrekking van de bijstand met ingang van 1 oktober 2003 was gehandhaafd. Het College heeft in de uitspraak berust en ter uitvoering daarvan bij besluit van 24 juni 2005 aan appellanten over de periode van 1 oktober 2003 tot 29 december 2003 algemene bijstand toegekend onder verrekening van de aan appellanten bij het besluit van 10 maart 2004 verleende bijzondere bijstand tot een bedrag van

€ 1.611,54.

Bij besluit van 21 september 2005, voor zover van belang, is het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 24 juni 2005 voor zover gericht tegen de verrekening van de verleende bijzondere bijstand met de algemene bijstand over de periode van 1 oktober 2003 tot 29 december 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 september 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het onderhavige geschil aan de hand van de Abw moet worden beoordeeld.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de Abw stemmen burgemeester en wethouders ten aanzien van de personen die een gezin vormen de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gezin.

Vaststaat dat de bijzondere bijstand die appellanten bij het besluit van 10 maart 2004 is verleend, strekte ter voorziening in kosten over de periode van 1 oktober 2003 tot 29 december 2003 die normaliter uit de algemene bijstand moeten worden bestreden. Bij zijn besluit tot toekenning van algemene bijstand over genoemde periode was het College dan ook gehouden die bijstand af te stemmen op de aan appellanten over die periode ter beschikking staande middelen en dus rekening te houden met de bijzondere bijstand die appellanten over die periode reeds hadden ontvangen. De Raad stelt voorts vast dat, nu de over onderhavige periode verleende bijzondere bijstand niet in zijn geheel op de toepasselijke normbedragen in mindering is gebracht, appellanten zeker niet tekort zijn gedaan.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

IJ