Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7685

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
07-342 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingen verplichting. Onjuiste inlichtingen verstrekt omtrent feitelijke woonadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 135

Uitspraak

07/342 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 december 2006, 06/1502 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Lok te Zwolle hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 februari 2008 heeft mr. Lok de Raad doen weten niet langer de belangen van appellant te behartigen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. van der Brug, werkzaam bij de gemeente Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 13 december 2005 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 30 september 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 30 september 2005 tot en met 30 november 2005 tot een bedrag van € 1.259,73 netto van hem teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt omtrent zijn feitelijke woonadres waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Bij besluit van 22 mei 2006 heeft het College het tegen het besluit van 13 december 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 mei 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht ter zake juiste en volledige inlichtingen te verschaffen aangezien de woon- en leefsituatie van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellant ten tijde in geding niet daadwerkelijk woonachtig was op het door hem opgegeven adres [adres]. Daartoe acht de Raad met de rechtbank van doorslaggevende betekenis de bevindingen tijdens de huisbezoeken op 30 september 2005 en 25 november 2005 alsmede de door [Z.] op die data afgelegde verklaringen. Dat [Z.] later anders heeft verklaard kan hier niet aan afdoen, reeds omdat tijdens het eerste huisbezoek in het geheel geen persoonlijke bezittingen van appellant zijn aangetroffen en tijdens het tweede huisbezoek - beweerdelijk - slechts enkele kledingstukken in de wasmand van [Z.] aanwezig waren. Dat alle aan appellant toebehorende spullen tijdens de beide huisbezoeken in de schuur op het adres [adres] zouden hebben gestaan, zoals appellant later heeft verklaard, acht de Raad in het licht van de onderzoeksbevindingen bepaald ongeloofwaardig. Omtrent de precieze woon- en leefsituatie van appellant tijdens de bij de beoordeling mede in aanmerking te nemen periode van 1 tot en met 13 december 2005 is evenzeer onduidelijkheid ontstaan doordat appellant toen in gebreke is gebleven het College spontaan, onverwijld en op de voorgeschreven wijze van zijn verhuizing naar de [adres 2] in kennis te stellen. Ook nadien is die onduidelijkheid blijven bestaan.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn feitelijke woonadres. Daarmee is hij tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) op hem rustende inlichtingenplicht. Als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht kan niet worden vastgesteld of en in hoeverre appellant ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand met ingang van 30 september 2005 en tevens op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 30 september 2005 tot en met

30 november 2005. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking en terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte, beleidsregels. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregels had moeten afwijken.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.C. de Wit.

IJ