Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
06-434 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herzieing WAO-uitkering omdat de toename van de arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan door betrokkene uitkering wordt genoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/434 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 december 2005, 04/43 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2008. Voor appellante is verschenen mr. Van den Ekart voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

Appellante meldde zich per 18 augustus 1993 arbeidsongeschikt in verband met nekklachten (whiplash) na een auto-ongeval. Aan haar werd met ingang van 17 augustus 1994 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

In 1999 meldde appellante, in het kader van een herbeoordeling, dat zij last had van rugklachten. In overleg met de verzekeringsarts werd 1 mei 1999 bepaald als de dag van het begin van deze klachten.

Bij besluit van 16 mei 2002 heeft het Uwv, onder intrekking en herroeping van beslissingen van 18 september 2000 en 27 maart 2000, aan appellante onder meer meegedeeld dat zij met ingang van 1 mei 1999 voor 80-100% arbeidsongeschikt wordt geacht, maar dat op grond van artikel 39a van de WAO de uitkering niet wordt herzien, omdat de toename van de arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan door appellante uitkering wordt genoten.

Bij besluit van 28 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep is namens appellante betoogd, onder verwijzing naar informatie uit de behandelend sector, dat de arbeidsongeschiktheid wel uit dezelfde oorzaak voortkomt, omdat de rugklachten samenhangen met de nekklachten.

De rechtbank heeft in verband hiermee de neuroloog dr. J.F. de Rijk tot deskundige benoemd. Deze heeft, na eigen onderzoek en na kennisneming van informatie uit de behandelend sector en van stukken betreffende het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, in haar rapport van 11 maart 2005 geconcludeerd dat de rugklachten voortvloeien uit een andere oorzaak dan de whiplash en dat het buiten twijfel is dat er sprake is van een andere ziekteoorzaak. Deze conclusie heeft de deskundige nader toegelicht in een rapport van 19 juli 2005.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, daartoe overwegende dat zij het oordeel van de deskundige tot de hare maakt, omdat de deskundige op zorgvuldige wijze tot haar standpunt is gekomen en de door appellante ingebrachte medische informatie niet tot een andere conclusie noopt.

In hoger beroep zijn namens appellante in wezen dezelfde grieven naar voren gebracht als in eerste aanleg. Daarnaast is namens appellante betoogd, dat de rechtbank ten onrechte de conclusie van de deskundige heeft overgenomen en dat aan haar het voordeel van de twijfel dient te worden gegeven.

De Raad overweegt het volgende.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de toeneming van de arbeidsongeschiktheid van appellante voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan appellante reeds uitkering genoot, als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de WAO. Deze vraag komt in feite neer op de vraag of er een verband bestaat tussen de door appellante in 1994 aangegeven nekklachten (whiplash) en de door haar in 1999 aangegeven rugklachten. De Raad zal, zoals ter zitting met partijen besproken, zijn beoordeling tot deze vraag beperken.

De Raad komt tot een ontkennende beantwoording van de vraag. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad stelt vast dat de deskundige De Rijk een rapport heeft uitgebracht met een eenduidige en duidelijke conclusie. Zij ziet geen oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid. Nu niet is kunnen blijken dat de deskundige niet op een zorgvuldige wijze tot haar bevindingen is gekomen, ziet de Raad geen grond om de overwegingen van de rechtbank voor onjuist te houden. De Raad onderschrijft mitsdien het oordeel van de rechtbank. In het licht van de bevindingen van de deskundige ziet de Raad onvoldoende redenen voor twijfel over het oorzakelijk verband, zodat er, anders dan namens appellante bepleit, geen grond is haar het voordeel van de twijfel te geven. De Raad voegt hieraan toe, dat uit de stukken niet is kunnen blijken dat de in augustus 1990 voor het eerst door de huisarts vermelde rugklachten, die door appellante evenwel niet zijn genoemd bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 16 maart 1994, bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellante en de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid met ingang van 17 augustus 1994 enige rol hebben gespeeld.

In hetgeen overigens namens appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

Het hoger beroep slaagt niet zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.

GdJ