Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
05-4011 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging boetenota's vanwege onjuiste loonpgave. Betrokken werkgever heeft ten onrechte bovenmatige reiskostenvergoedingen voor het woon-werkverkeer aan haar werknemers heeft betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4011 CSV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 mei 2005, 04/1799 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.J. de Graaf RA, werkzaam bij Valkering De Graaf accountants te Limmen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 14 september 2006, waar partijen, met schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend en heeft enige vragen voorgelegd aan het Uwv, welke bij brief van 21 november 2006 (met bijlagen) zijn beantwoord. Appellante heeft vervolgens geen aanleiding meer gezien om een aanvulling van de gronden te geven.

De behandeling van het onderzoek is opnieuw aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 28 februari 2008, waar partijen, het Uwv met schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

Op basis van het looncontrolerapport van 12 december 2003 heeft het Uwv correctienota’s over de jaren 1999 tot en met 2002 en boetenota’s over de jaren 1999 tot en met 2001 opgelegd. Aan de correctienota’s ligt ten grondslag het standpunt van het Uwv dat appellante ten onrechte bovenmatige reiskostenvergoedingen voor het woon-werkverkeer aan haar werknemers heeft betaald en om die reden een inhoudelijke niet juiste loonopgave heeft gedaan. Het Uwv heeft de boetes vastgesteld op 25% van de verschuldigde premies, waarbij de gedraging van appellante is gekwalificeerd als te wijten aan opzet of grove schuld. Bij besluit van 29 juni 2004 is het bezwaar tegen de correctienota’s niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld. Zij heeft wel beroep ingesteld tegen het besluit van 27 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit), waarbij haar bezwaar tegen de boetenota’s ongegrond is verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de omstandigheid dat het Uwv ter zitting heeft toegezegd dat het besluit op bezwaar van 29 juni 2004 zal worden ingetrokken en dat het bezwaar gericht tegen de correctienota’s alsnog inhoudelijk zal worden beoordeeld, niet maakt dat het Uwv niet mocht overgaan tot het opleggen van de boetenota’s op grond van artikel 12, tweede lid, van de CSV en dat terecht is uitgegaan van opzet dan wel grove schuld op basis waarvan terecht boetes over de jaren 1999 tot en met 2001 zijn opgelegd ter hoogte van 25% van de correctienota’s.

Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft daarbij gesteld, dat nu het Uwv tijdens de zitting van de rechtbank heeft medegedeeld dat het besluit van 24 juni 2004 wordt ingetrokken, de rechtbank het Uwv had moeten veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Voorts vraagt appellante zich af of de rechtbank niet had moeten beslissen dat er tevens een nieuw boetebesluit zou moeten worden genomen.

De Raad overweegt als volgt.

Nu het beroep waarop de rechtbank heeft beslist, niet was gericht tegen het besluit van 29 juni 2004, vermag de Raad niet in te zien waarom de rechtbank aan de intrekking van dit besluit de consequentie van een proceskostenveroordeling had moeten verbinden.

De Raad stelt vast dat het Uwv bij besluit van 23 mei 2005 opnieuw heeft beslist op het bezwaar van appellante tegen de correctienota’s. Het bezwaar is ongegrond verklaard. Het beroep van appellante tegen het besluit van 23 mei 2005 heeft de rechtbank ongegrond verklaard en wel bij uitspraak van 19 januari 2007, 05/1471. Appellante heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld, zodat de correctienota’s waarop de boetenota’s zijn gebaseerd inmiddels rechtens onaantastbaar zijn geworden. Daarmee staat vast dat appellante niet heeft voldaan aan haar verplichting zoals neergelegd in artikel 10 van de CSV en is het Uwv verplicht een boete op te leggen. De grieven gericht tegen de boetenota’s kunnen gelet hierop slechts zien op bijvoorbeeld de hoogte van de boete, het boetepercentage of de verzuimrangorde. De in de gehele procedure door appellante aangevoerde grieven zien echter met name op de in het looncontrolerapport beoordeelde bovenmatigheid van de reiskostenvergoedingen aan haar werknemers, maar deze bovenmatige reiskostenvergoedingen kunnen gelet op het bovenstaande thans niet meer ter discussie staan.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenvergoeding acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A. Badermann.

IJ