Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
07-734 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening van de premieloon over de jaren 1998 tot en met 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/734 CSV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 december 2006, 06/1623 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofdorp, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 28 februari 2008 waar partijen, met voorafgaand schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Op 10 september 2003 heeft het Uwv aan appellant correctienota’s opgelegd over de jaren 1998 tot en met 2002. Op het daartegen gerichte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 5 november 2004 beslist. Op het daartegen gerichte beroep heeft de rechtbank Haarlem op 4 oktober 2005, 04/2126, uitspraak gedaan. Daarin heeft de rechtbank vastgesteld dat de verschillende afgelegde verklaringen, hoewel deze niet geheel consistent zijn, terecht aanleiding vormen om te twijfelen aan de juistheid van de in de loonadministratie verantwoorde lonen. De bevindingen op grond van de observatie ter plaatse bevestigen het beeld dat het personeel meer uren heeft gewerkt en appellant meer loon heeft uitbetaald dan in de boekhouding is verantwoord. Ditzelfde geldt voor de verantwoording van het aantal medewerkers voor 2001. Gelet op het aantal opgegeven gewerkte uren van de medewerkers is de rechtbank met het Uwv van oordeel dat de hieruit voortvloeiende bezetting van ongeveer 3,5 personeelsleden per dag geen reële weergave van de bezettingsgraad kan hebben gevormd. Gelet hierop is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de loonadministratie niet als basis kan dienen voor de berekening van de door appellant verschuldigde premies, is de loonadministratie terecht verworpen en is het Uwv vervolgens terecht tot een schatting van het premieloon overgegaan. De rechtbank is evenwel tot de slotsom gekomen dat de schatting onzorgvuldig tot stand is gekomen. Appellant heeft de juistheid van de geschatte bezettingsgraad gemotiveerd betwist en ter zitting gepreciseerd op welke onderdelen de door het Uwv gedane schatting niet juist kan zijn. Nu het Uwv niet aanwezig was ter zitting om in te gaan op hetgeen appellant in dit verband naar voren heeft gebracht, en de weergave van appellant niet in tegenspraak lijkt te zijn met de door de getuigen afgelegde verklaringen en gedane waarnemingen, zag de rechtbank aanleiding om te twijfelen aan de stelling van het Uwv dat de geschatte bezettingsgraad een reële weergave van de personeelsbezetting is. Dat was voor de rechtbank aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het besluit van 5 november 2004 te vernietigen.

Het Uwv heeft in de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 oktober 2005 berust en bij besluit van 14 december 2005 opnieuw beslist op de bezwaren van appellant tegen de over de jaren 1998 tot en met 2002 opgelegde correctienota’s. Daarbij heeft het Uwv voor de schatting van het premieloon de door appellant in eerste aanleg ter zitting van de rechtbank overgelegde berekening van de personeelsbezetting als uitgangspunt genomen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep hiertegen ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Hij houdt staande dat in het oordeel van de rechtbank Haarlem van 4 oktober 2004 niet reeds ondubbelzinnig besloten ligt dat de gehele loonadministratie niet als basis kan dienen voor de berekening van de premielonen, nu in deze uitspraak uitsluitend gronden en argumenten voor de verwerping van de boekhouding zijn aangereikt die betrekking hebben op het jaar 2001. De uitspraak van de rechtbank van 4 oktober 2005 kan dan ook niet ruimer worden geïnterpreteerd dan betrekking hebbende op de heffingsperiode 2001. Voorts zal appellant aan de hand van voorhanden zijnde gegevens alsnog aantonen dat de desbetreffende correcties over de andere heffingstijdvakken ten onrechte zijn doorgevoerd.

De Raad volgt appellant hierin niet. Met de rechtbank is hij van oordeel dat het standpunt van appellant, dat uit de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 oktober 2005 alleen valt op te maken dat uitsluitend de loonadministratie over 2001 ondeugdelijk is, zodat ten aanzien van de overige in geding zijnde jaren nog niet onherroepelijk zou zijn beslist, berust op een verkeerde lezing van de uitspraak. De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank dat thans uitsluitend de vraag dient te worden beantwoord of het Uwv bij besluit van 14 december 2005 bij de berekening van de premie over de jaren 1998 tot en met 2002 voldoende zorgvuldig te werk is gegaan. Ook de Raad is van oordeel dat hiervan sprake is. Het Uwv heeft zich bij de berekening van de bezettingsgraad en het aantal gewerkte uren gebaseerd op de door appellant ter zitting van de rechtbank Haarlem van 3 augustus 2005 gegeven uitvoerige en gedetailleerde weergave van de feitelijke gang van zaken in de keuken, welke ook overigens niet in tegenspraak lijkt te zijn met de door de getuigen afgelegde verklaringen en de gedane waarnemingen. De Raad acht in de stukken voorts geen steun aanwezig voor het betoog van appellant dat de hierboven vermelde weergave van de feitelijke gang van zaken slechts zou zien op 2001. Daartegenover heeft appellante - hoewel bij aanvullend beroepschrift aangekondigd - geen concrete, verifieerbare gegevens meer overgelegd die afbreuk doen aan de berekening van het Uwv. Daarbij merkt de Raad op dat, voor zover de schatting heeft geleid tot een te hoog bedrag aan alsnog verschuldigde premies, zulks voor risico van appellant komt, omdat hij geen deugdelijke administratie heeft gevoerd.

De conclusie is dan ook dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A. Badermann.

IJ190308